Habitattypische soort

Definitie: 

Een beleidsterm die aangeeft dat een soort gebruikt wordt bij het beoordelen van de staat van instandhouding van een Natura-2000 habitat. Het voorkomen van een gezonde populatie wordt bekeken op gewestelijk niveau. Op lokaal niveau ga je natuurlijk rekening houden met deze soorten maar de evaluatie/monitoring gebeurt op gewestelijk niveau. De geselecteerde soorten zijn typisch voor een habitattype en verdelen we onder in volgende categorieën:

  • exclusieve soort: dit zijn soorten die zich alleen (± 100%) in het betreffende habitattype voortplanten. Ander gebruik van het habitattype zoals voedsel verzamelen, dekking, overwinteren enz. wordt buiten beschouwing gelaten.
  • Karakteristieke soort: dit zijn soorten die zich bij voorkeur (minimaal 50%) in het betreffende habitattype voortplanten. Ander gebruik van het habitattype zoals voedsel verzamelen, dekking, overwinteren enz. wordt buiten beschouwing gelaten.
  • Constante soort (goede abiotiek): soorten die in de meeste van de gebieden met het betreffende habitattype aanwezig zijn, maar niet beperkt zijn tot het habitattype. Deze soorten zijn een indicator van een goede abiotische toestand. Ze geven een indicatie van bv. de bodemeigenschappen of hydrologie.
  • Constante soort (goede biotiek): soorten die in de meeste van de gebieden met het betreffende habitattype aanwezig zijn, maar niet beperkt zijn tot het habitattype. Deze soorten zijn een indicator van een goede biotische toestand. Ze geven een indicatie van bv. de horizontale en verticale vegetatiestructuur. Deze soorten zijn echter bepaald per habitattype en niet per subtype. Sommige soorten horen thuis in bepaalde subtypes, maar komen niet of nauwelijks voor in andere subtypes van en bepaald habitat. Daarom dat er soms wat "rare" soorten kunnen staan bij een subtype. Zoals een Moerassprinkhaan als constante soort goede biotiek bij een glanshaverhooiland, terwijl hij vooral te vinden is in natte hooilanden.