Ellenbergwaarden

Indiactorwaarden voor planten

Definitie: 

Ellenberg is een Duitse wetenschapper die voor zeer veel planten indicatorwaarden heeft bepaald. Deze indicatorwaarden worden gegeven voor de volgende abiotische factoren:

  • Licht (L)
  • Vochtigheid (F)
  • pH, gemeten als bodem pH of water pH (R)
  • Voedselrijkdom of productiviteit, vaak gemeten als hoeveelheid stikstof in de bodem (N)
  • Zouttolerantie (S)

Elke plantensoort krijgt dan voor elke omgevingsfactor een bepaalde waarde tussen 1 (0 voor zouttolerantie) en 9 (of 12 voor vochtigheid) en kan zo een ecologische plaats krijgen ten opzichte van andere plantensoorten. Hill, een Engelse wetenschapper, herwerkte de oorspronkelijke Ellenbergwaarden zodat deze beter toepasbaar zijn voor Groot-Brittannië. Groot-Brittannië heeft namelijk een ander klimaat dan Centraal Duitsland. Op deze website worden de oorspronkelijke waarden van Ellenberg gebruikt. In de publicatie hieronder vind je de aangepast waarden van Hill en ook de oorspronkelijke waarden.

Hieronder vind je de verklaringen van de Ellenberg-waarden:

Licht, de L-waarde

  1. Plant van diepe schaduw (komt in Vlaanderen niet voor). tussen
  2. 1 en 3, vb. Vogelnestje
  3. Schaduwplant, vb. Dalkruid, Beuk
  4. Tussen 3 en 5, vb. Daslook, Slanke sleutelbloem
  5. Half schaduwplant, vb. Bosanemoon, Look-zonder-look
  6. Tussen 5 en 7, vb. Blauwe bosbes, Speenkruid
  7. Plant meestal in goed belichte plaatsen soms in een beetje schaduw, vb. Gele lis, Smalle weegbree
  8. Lichtminnende plant, vb. Gewone vogelmelk, Margriet
  9. Plant van volle zon, vb. Buntgras, Lamsoor

Vochtigheid, de F-waarde

  1. Plant die tegen extreme droogte kan, vb. Buntgras
  2. Tussen 1 en 3, vb. Kleine tijm, Muurpeper
  3. Indicator van droge plaatsen, vb. Gewone vogelmelk, Zandzegge
  4. Tussen 3 en 5, vb. Sint-janskruid, Zandblauwtje
  5. Plant van frisse bodems, vb. Gele dovenetel, Knoopkruid
  6. Tussen 5 en 7, vb. Es, Hondsdraf
  7. Plant van bijna altijd vochtige maar niet natte bodem, vb. Wijfjesvaren, Zilverschoon
  8. Tussen 7 en 9, vb. Bosbies, Moerasspirea
  9. Plant van natte, niet goed verluchte bodems, vb. Dotterbloem, Gele lis
  10. Plant van ondiep water, vb. Grote waterweegbree, Liesgras
  11. Plant die onder water wortelt maar voor een deel boven water komt, vb. Klein kroos, Witte waterlelie
  12. Plant die altijd onder water zit, vb. Brede waterpest, Puntkroos

pH, de R-waarde

  1. Indicator van extreme zuurte, wordt nooit gevonden op zwak zure of basische bodems
  2. Tussen 1 en 3
  3. Zuurindicator, vooral op zure bodems maar uitzonderlijk ook op bijna neutrale bodems
  4. Tussen 3 en 5
  5. Indicator van matig zure bodems, af en toe gevonden op zeer zure, neutrale of zelfs licht basische bodems
  6. Tussen 5 en 7
  7. Indicator van zwak zure tot zwak basische bodems, nooit gevonden op sterk zure bodems
  8. Tussen 7 en 9
  9. Indicator van basische bodems, altijd gevonden op kalkrijke of andere hoge pH-bodems

Productiviteit, de N-waarde

  1. Indicator van extreem onvruchtbare plaatsen
  2. Tussen 1 en 3
  3. Indicator van min of meer onvruchtbare plaatsen
  4. Tussen 3 en 5
  5. Indicator van plaatsen met intermediaire vruchtbaarheid
  6. Tussen 5 en 7
  7. Plantensoort vaak gevonden op (zeer) vruchtbare plaatsen
  8. Tussen 7 en 9
  9. Indicator van extreem rijke plaatsen, zoals rustplaatsen van vee of nabij vervuilde rivieren

Zouttolerantie, de S-waarde

     0. Afwezig van zoute plaatsen; indien gevonden nabij de kust, enkel toevallig en niet aanhoudend wanneer blootgesteld aan zilte wind of zout water (overgroot gedeelte van Vlaamse plantensoorten)

  1. Licht zouttolerante soorten, zeldzaam tot occasioneel op zilte bodems maar aanhoudend in de aanwezigheid van zout, voorkomend op duinen en aan de voet van duinen met zoet grondwater waar zoute inputs door wind of water mogelijk zijn
  2. Plantensoorten voorkomend in zowel zoute als niet-zoute situaties, waarbij zoute habitats niet sterk predominant zijn
  3. Plantensoorten vooral voorkomend in kustgebieden maar regelmatig aanwezig in zoet water of op niet zoute bodems binnenlands (ook strikt aan kust gebonden soorten, voorkomend op plaatsen zoals klifspleten en zandduinen welke niet duidelijk onderhevig zijn aan zoutbesproeiingen, worden hiertoe gerekend)
  4. Plantensoorten van zoute graslanden en bovenste gedeelten van zoutmoerassen, onderhevig aan hooguit zeer uitzonderlijke getijdenoverstromingen; inbegrip van plantensoorten in brakke condities (dus van consistente maar lage zoutwaarden)
  5. Plantensoorten van de bovenranden van zoutmoerassen
  6. Plantensoorten van de middelste gedeelten van zoutmoerassen
  7. Plantensoorten van de lagere gedeelten van zoutmoerassen
  8. Plantensoorten welke min of meer permanent ondergedoken zijn in zeewater
  9. Plantensoorten van extreem zoute condities, op plaatsen waar zeewater verdampt en waar zout neerslaat