Wateren met kranswiervegetaties (3140)

Beschrijving: 

Het habitattype omvat in Vlaanderen de plassen en vijvers met (vrij) stabiele kranswiergemeenschappen van voedselarm tot matig voedselrijk, gebufferd water. Kranswieren (Characeae) zijn waterplanten die zich, net als varens en mossen, met sporen voortplanten. Ze groeien vooral in heldere, matig carbonaathoudende tot erg kalkrijke, stilstaande wateren met een goede waterkwaliteit. Kranswieren wortelen in de minerale tot venige bodem en komen vaak in dichte tapijten voor, waarin geen of nauwelijks andere waterplanten te vinden zijn. Afhankelijk van de milieuomstandigheden (kalk- en zoutgehalte, voedselrijkdom, enz.) komen verschillende kranswiergemeenschappen voor.

Natuurbeheer: 

Het beheer is vooral gericht op het behoud van een optimale waterkwaliteit. Volgende maatregelen zijn daarbij aan de orde:

  • Geen verontreiniging of vermesting van grond- en oppervlaktewater.
  • De oevers blijven best vrij van boomopslag.
  • Om deze pioniervegetaties in stand te houden dient visbepoting vermeden te worden, kunnen remediërende technieken en het opschonen van de plassen (slibverwijdering) periodiek noodzakelijk zijn.
  • Windwerking kan belangrijk zijn om het mineraal substraat van delen van de plas vrij te houden van slibaccumulatie.
  • Voor de instandhouding van glanswiervegetaties in zwak gebufferde wateren kunnen, bij verzuring, effectgerichte maatregelen, zoals het inlaten van zuiver, gebufferd, water, noodzakelijk zijn.
  • In bepaalde gevallen is, bijzonder bij kleinere wateren, oordeelkundig opschonen aangewezen.

Bedreigingen: 

  • Kranswiervegetaties van dit habitattype zijn zeer gevoelig voor waterverontreiniging. Bij een verhoogd aanbod aan voedingsstoffen worden ze snel verdrongen door andere waterplanten of wieren; verminderde helderheid van het water leidt tot het verdwijnen van kranswieren. Veel voorkomende, vaak met elkaar geassocieerde, oorzaken van achteruitgang zijn o.a. sterkere ontwikkeling van andere waterplanten en fytoplankton, toename van zwevende stoffen en te hoge densiteit en 'verbraseming' van het visbestand, waarbij bodemomwoelende soorten domineren en roofvissoorten ontbreken.
  • Door verbossing en verruiging van de oever nemen de beschaduwing en de accumulatie van afgestorven bladeren (eutrofiëring) toe.
  • Het habitattype is gevoelig voor wijzigingen in de hydrologie en voor verdroging.
  • Gemotoriseerde bootrecreatie zorgt door waterturbulentie voor het vrijkomen van nutriënten uit een ondiepe onderwaterbodem, waardoor algenbloei wordt gestimuleerd, en voor troebel water die plantengroei bemoeilijkt.
  • Successie en verlanding kunnen een natuurlijke oorzaak zijn van het verdwijnen van het habitattype.
  • Ongepast gebruik van herbiciden, bv. ten behoeve van sommige vormen van recreatie of in sloten langs wegen en akkerland, is nefast.