Voedselrijke, soortenrijke ruigtes langs waterlopen en boszomen (6430)

Beschrijving: 

Dit habitattype omvat voedselrijke ruigten langs waterlopen en boszomen. In Vlaanderen vallen hieronder 3 natuurtypes:

  1. Ruigtes op natte tot vochtige voedselrijke grond zonder een duidelijk graslandkarakter. Typische soorten zijn Moersspirea, Poelruit en Moesdistel.
  2. Natte ruigten langs waterlopen op vaak voedselrijkere standplaatsen dan het 1ste type. Hier zal Harig wilgenroosje vaak dominant zijn.
  3. Voedselrijke boszomen met soorten als Dagkoekoeksbloem, Geel nagelkruid en Bosandoorn. Voor de aanduiding als habitat in Vlaanderen zijn de hoger genoemde gemeenschappen met minder algemene planten- en diersoorten het meest relevant.
heeft als kenmerkende soort
Althaea officinalis

Natuurbeheer: 

Om deze ruigten in stand te houden is een cyclisch kap- en maaibeheer noodzakelijk, waarbij eventuele boomopslag om de 5 à 10 jaar verwijderd wordt. In functie van de aanwezigheid van bijzondere plantensoorten kan een frequenter maaibeheer aangewezen zijn (om de 2 of 3 jaar maaien bijvoorbeeld). Vanuit faunistisch perspectief is een rotatiebeheer in dit geval steeds aan te bevelen, zodat niet alles in hetzelfde jaar wordt gemaaid.

Bedreigingen: 

  • Door eutrofiëring nemen soorten als Grote brandnetel, Kleefkruid, Akkerdistel en Zevenblad sterk toe, waarbij minder concurrentiekrachtige soorten overwoekerd worden. Veel voorkomende oorzaken van eutrofiëring zijn het storten van tuinafval, maaien zonder verwijdering van het maaisel, gebruik van herbiciden en lokaal verhoogde stikstofdepositie ter hoogte van bosranden.
  • Natte ruigten zijn gevoelig voor verdroging door drainage, eutrofiëring door overstroming met vervuild water en wijzigingen in de waterpeildynamiek door waterbeheersingswerken en bedijkingen. Langs sloten en beken treedt habitatverlies en degradatie op door verbreding van de waterloop, het deponeren van ruimingsmateriaal en het passeren van rupskranen.
  • Scherpe overgangen tussen bos en open gebied reduceren de beschikbare ruimte voor behoud of ontwikkeling van zomen.
  • Boszomen verdwijnen door dichtgroeien en/of overschaduwing van open plekken en bospaden en door wijzigingen in het bosbeheer, zoals omzetten van een hakhoutcultuur naar een gesloten hooghoutbestand of kaalkappen waarbij de bodem zwaar wordt beschadigd of kroon- en takhout blijven liggen.
  • Door het achterwege blijven van een maai- of graasbeheer treedt geleidelijk verruiging op, waarbij alleen de meest concurrentiekrachtige soorten overblijven, of kan het habitattype uiteindelijk verbossen, al dan niet via een struweelfase. Natte ruigten kunnen ook door Riet gekoloniseerd en gedomineerd worden.
  • Overwoekering door exoten, bv. Japanse duizendknoop, Reuzenbalsemien en Canadese guldenroede.