De opbouw van een boomstam

Stamdoorsnede

De verschillende doorsneden: (A) kops of transversaal, (B) kwartiers of radiaal en (C) dosse of tangentiaal

Van buiten naar binnen treffen we in grote lijnen in een boomstam vaak volgende opbouw aan: schors, bast, cambium, spinthout, kernhout en merg. Op de eerste figuur ontdek je deze opbouw op de stamdoorsnede. Met een stamdoorsnede bedoelen we meestal een coupe dwars op de lengteas van de stam. We kijken dan recht op de vezels, houtvaten en zien zo ook de jaarringen. Dit wordt ook wel het kopse vlak genoemd. Een ander beeld krijgen we als we een coupe maken volgens de lengteas én door het centrum van de stam. Dit noemen we een radiale doorsnede of kwartiers. Een tangentiale doorsnede tenslotte, is ook met de groeirichting mee, maar gaat niet door het centrum van de stam. Dit wordt ook wel dosse genoemd. De verschillende doorsnedes worden getoond in de tweede figuur.

De anatomie van het hout is specifiek voor elke boomsoort. De verdeling, het aandeel en de morfologie van de cel- en weefseltypes verschillen telkens.

Anatomie

Een grote solitaire eik, een jonge beukenplant in de nevenetage, een volwassen berk... Hoewel verschillend, is elke boom opgebouwd volgens een aantal zelfde principes en bevat hij steeds dezelfde onderdelen.

Alles begint met de kieming van het zaad. Het zaad zuigt zich vol met vocht en celdelingen komen volop op gang. Een eikenzaailing bijvoorbeeld kan het eerste groeiseizoen rekenen op een voldoende voedselreserve uit de grote eikel. Hierdoor is licht en openheid van het kronendak in deze beginfase van zijn leven niet zo belangrijk. Voor soorten met kleine zaden zoals wilg, berk en populier moeten wel alle groeiomstandigheden meteen goed zitten.

Initiële reserves of niet, hoe dan ook is voor de verdere groei licht essentieel. Via het proces van fotosynthese worden suikers gevormd die dienen voor de opbouw van houtweefsel.

Cellen in de eind- en zijknoppen zuigen zich elk jaar in het voorjaar vol met vocht en strekken zich hierdoor uit tot nieuwe scheuten. Dit geeft aanleiding tot primaire of lengtegroei. Een boom investeert in eerste instantie in z'n hoogtegroei, daarna verschuift de focus naar diktegroei. De bladeren of naalden worden immers eerst in een zo gunstig mogelijke positie gebracht. Daarna moet de verworven positie behouden worden door dik en stevig uit te groeien en de kroon te ondersteunen.

Bomen en andere houtige planten onderscheiden zich van kruidachtige planten door secundaire groeistructuren. Secundaire groei komt voor zowel bij loof- als naaldbomen en is mogelijk dankzij een ring van weefsel dat langs de binnenzijde houtvaten of xyleem aanmaakt en langs de buitenzijde zeefvaten of floëem. Die ring heet het cambium. In onze gematigde streken geeft dit aanleiding tot jaarringen.
De houtvaten hebben als functie om water en mineralen opwaarts te transporteren, vooral in het begin van elk nieuw groeiseizoen. Dit is mooi zichtbaar in bijvoorbeeld eikenhout. In de lente maakt de eik immers vrij grote en veel houtvaten aan, in de zomer zijn deze al dunner en in de herfst en winter stopt de groei bijna volledig. Dit vertaalt zich in een duidelijke opeenvolging van donkere en lichte zones binnen elke jaarring. De zeefvaten ten slotte zorgen voor een neerwaarts transport van vooral suikers naar de wortels voor opslag. Houtvaten in het xyleem en zeefvaten in floëem kennen dus een tegengestelde stroom.

Al het weefsel dat zich aan de buitenzijde van het cambium bevindt wordt gewoonlijk bast genoemd (zie foto rechts; 'D'). Dat men deze buitenste structuren samen neemt is normaal aangezien het cambium, zeker in het groeiseizoen, een kwetsbare structuur is waar de bast gemakkelijk afgepeld kan worden. Deze bast mag niet verward worden met spinthout ('B'), dat zich aan de binnenzijde van het cambium bevindt en dus zuiver uit xyleem bestaat. De bast bestaat deels uit levend en functioneel floëem, dat zich het dichtst bij het cambium bevindt. Meer naar de buitenkant vinden we ouder floëem en tenslotte de schors ('D'), waarvan het buitenste deel enkel uit dode cellen bestaat. De eigenlijke schors bestaat uit cellen die nooit een sapgeleidingsfunctie gehad hebben. Aan de binnenzijde van het spinthout bevindt zich tenslotte het kernhout ('A'). Door verkerning wordt spinthout onder andere donkerder van kleur.

In de volgende figuur is een deel van het kernhout uitvergroot. Je ziet nu duidelijk de opeenvolging van het vroeghout (zie foto rechts; 'A', duidelijk grote houtvaten) en het laathout ('B', vooral vezels en kleinere houtvaten). De breedte van het vroeghout is nagenoeg elk jaar constant en in de grootteorde van enkele millimeters. Een enkele opeenvolging van vroeg- en laathout is dus een jaarring ('C'). Op de figuur zijn ook heel duidelijk de houtstralen ('D') zichtbaar.

Juveniel en volgroeid hout

Verder is er nog een verschil tussen juveniel en volgroeid hout. Gedurende de eerste 20 à 30 jaar vormt het jonge cambium juveniel hout. Op onderstaande figuur zie je waar het juveniele hout te vinden is in een oudere boom: de kroon, het bovenste stamgedeelte en een centrale cilinder in het middelste en onderste stamgedeelte. Hoe ouder en dikker de stam, hoe groter het aandeel volgroeid hout.

Juveniel hout wordt gekenmerkt door kortere vezels en het hout heeft een lagere dichtheid dan volgroeid hout. Deze slechtere houteigenschappen maken dat juveniel hout minder sterk en reactiever is. Het hout krimpt meer in de lengte dan volgroeid hout, waardoor planken en balken kromtrekken. Kortere vezels zijn ook minder geschikt voor papierproductie.