Wilde appel en Eetappel

Malus sylvestris

Beschrijving: 

De Wilde appel, Malus sylvestris subsp. sylvstris is te herkennen aan zijn kleine 3 cm grootte wrange vruchten. De bladeren zijn ellipsvormig en fijn gezaagd. De soort heeft vaak takken die gedoornd zijn. De twijgen, bladeren en de buitenzijde van de kelkbladeren zijn in jonge toestand vrijwel kaal. Eetappels Malus sylvestris subsp. mitis hebben geen takkendoorns en de twijgen, bladeren en kelkbladeren zijn in jonge toestand sterk behaard.

Habitat: 

Wilde appel is doorgaans een kleine boom, die men vooral aantreft in lichte bossen met een open structuur: enkel daar kan hij gemakkelijk tot vruchtzetting komen. Van nature moet de soort ook – oorspronkelijk veel (?) – in bosranden en lichte struwelen hebben gestaan. Op dergelijke plaatsen kan men ze ook nu nog waarnemen, zij het zeer zelden in Vlaanderen. Wilde appel gedijt in principe op zowat alle minerale bodemtypen, maar heeft toch een onmiskenbare voorkeur voor voedselrijkere, vochthoudende, eerder neutrale, diepe gronden op leem of voor stenige bodems. Wilde appel is eerder warmteminnend: in reliëfrijke gebieden groeit de soort bij voorkeur op zuidelijk georiënteerde hellingen. Buiten bos en struweel vindt men de soort wel eens in houtkanten en hagen. Veel meer dan wilde appel vindt men verwilderde vormen van eetappel, die opgeslagen zijn uit weggegooide klokhuizen en vruchten. In nogal wat gevallen hebben ze intermediaire kenmerken tussen de gekweekte eetappel en de wilde appel, maar gewoonlijk zijn ze goed te onderscheiden, zeker in de vruchtperiode.