Moerasweegbree

Baldellia ranunculoides

Habitat: 

Moerasweegbree heeft twee ondersoorten: subsp. ranunculoides (stijve moerasweegbree) en subsp. repens (Lam.)Á. et D. Löve (kruipende moerasweegbree). Ze hebben een verschillende morfologie en ecologie, maar tussenvormen worden aangetroffen. Het is moeilijk om de verspreiding in Vlaanderen voor die ondersoorten te differentiëren. Stijve moerasweegbree is op dit moment vermoedelijk minder algemeen dan kruipende moerasweegbree. LAWALRÉE (1959) behandelt de determinatie- en verspreidingsproblematiek in België. Voor een overzicht van voortplanting en geassocieerde morfologische verschillen in het genus, zie VUILLE (1988). Moerasweegbree groeit op ondiepe plaatsen van vennen of soortgelijke natte plekken en soms in duinpannen. Haar standplaats valt meestal droog in de zomer. De soort heeft nood aan een minerale, zandige tot lemige bodem, en is weinig tolerant tegenover zich opstapelend bezinksel. De soort kan pH-waarden beneden 5 blijkbaar niet verdragen. Meestal is ze aan te treffen in het pH-bereik van 5,5 tot 7, veelal gepaard met een zwakke tot sterke zuurbuffering van het oppervlaktewater. Kruipende moerasweegbree vinden we normaal in het zuurdere, ionenarmere deel van dat bereik, terwijl stijve moerasweegbree vooral zou voorkomen in de basen- en iets ionenrijkere milieus. Kruipende moerasweegbree wordt vaak samen aangetroffen met soorten als oeverkruid, moerasherts- hooi, vlottende bies, gesteeld glaskroos en naaldwaterbies. Bij eutrofiëring worden beide ondersoorten verdrongen door forse moerasplanten zoals pitrus of riet.