Beschrijving:
Het Heideblauwtje komt voor in vochtige en droge heide. De soort heeft één generatie van begin juni tot midden september, met een piek tussen 29 juni en 4 augustus. De wijfjes zetten de eitjes afzonderlijk af op de houtige stengels van struikhei. Meestal kiezen ze daarvoor plaatsen uit die dicht bij de grond gelegen zijn en jonge, maar hoge planten die in een korte vegetatie staan (10-15 centimeter). De overwintering gebeurt als ei. De rupsen voeden zich met bloemknoppen, jonge bladeren of scheuten van de waardplant. De rupsen worden vaak bezocht door de zwarte wegmier en vermoedelijk vervoeren de mieren de jonge rupsen naar hun nest, waar ze ook verpoppen. Vaak gebruikte nectarplanten zijn gewone dophei en struikhei. De vlinders zijn honkvast.
Beheer:
Het Heideblauwtje komt vaak voor in heidegebieden waarin zowel droge als vochtige heide te vinden zijn. De soort is vooral gebaat bij een beheer waarbij de heidestruiken regelmatig verjongen.
Het behouden of creëren van structuurvariatie en voldoende afwisseling tussen droge en vochtige heide kan door kleinschalig plaggen, maaien en/of extensieve begrazing. Het verbinden van leefgebieden is cruciaal voor deze weinig mobiele soort.