Beplantingsvorm: vlaktegewijs of groepsgewijs? En wat met snelle groeiers?

Traditioneel werd vooral vlaktegewijs geplant, maar tegenwoordig wordt ook groepsgewijs of zelfs individueel geplant, waardoor een mozaïek ontstaat van beplante en niet-beplante delen. Dit heeft voordelen voor ecologie en beleving, en kan perfect samen gaan met de productie van kwaliteitshout.  

Vlaktegewijs aanplanten komt neer op het volledig volplanten van de oppervlakte. Het plantverband is hier bepalend van hoe de bomen geplant moeten worden.

Alle boom- en struiksoorten zijn groepsgewijs te mengen, mits de groepen voldoende groot zijn. (foto: Etiënne Thomassen)

Groepsgewijs aanplanten betekent dat je zones aanplant en tussenliggende zones open laat voor natuurlijke verjonging als alternatief voor het inzaaien of aanplanten van begeleidende soorten bomen en struiken. In theorie verkrijg je dan ook een groepsgewijs gemengd bos. Bij een groepsgewijze aanplant van 25 tot 50 bomen per groep is het idee dat in de kern van de groep op termijn een toekomstboom ontstaat. Dergelijke groepen worden ook wel kloempen genoemd.

De kloempen zijn best homogeen samengesteld, dus uit slechts een en dezelfde boomsoort om een duurzame menging van het bosbestand te garanderen. De buitenste bomen van de kloemp mogen enkel een andere boomsoort zijn als deze niet groeikrachtiger is dan de hoofdboomsoort van die kloemp. 

De ideale plantafstand tussen boompjes in een kloemp ligt tussen 1 x 1 m en 1,5 x 1,5 m. Dus zeker niet dichter dan 1 x 1 m, zeker niet wijder dan 1,5 x 1,5 m. Plantafstand van aanvullende bomen die tussen de kloempen geplant wordt kan ruimer. De afstand tussen deze kloempen is de gewenste finale afstand tussen de toekomstbomen.

Welke beplantingsvorm past het best bij het vooropgestelde doel van het nieuwe bos?

Hierbij kunnen bijvoorbeeld volgende aspecten een rol spelen:

Een vlaktegewijze aanplant zal eerder resulteren in een structuurarm beeld. Het aanplanten van groepen laat ruimte voor de spontane ontwikkeling van natuurlijke verjonging waardoor sneller differentiatie in de bestandsstructuur zal optreden.

De bomen in de kloempen kunnen van dezelfde soort zijn, maar men kan ook een verzorgende boomsoort groeperen rond een of enkele exemplaren van de beoogde doelsoort. Zo kan bijvoorbeeld hazelaar of haagbeuk als verzorgende boom worden geplant rondom een aantal eiken. In de eerste fase moet dan wel beheerd worden om de eiken niet te laten overgroeien door de hazelaars of haagbeuken.

De kosten van de ene of de andere beplantingsvorm hangt sterk af van de uitgangspositie. Hiervoor bestaan geen standaard berekeningen.

Versneld bosklimaat en bosstructuur creëren

Bij een bebossing zullen er altijd een deel van de geplante boompjes afsterven. De kans is zeer groot dat we vaker extreme zomers zoals die van 2018 en 2019 meemaken. Een boompje op een vers beboste kaalvlakte staat dan van ’s morgens tot ’s avonds in de blakende zon.

Hoe kun je hier iets aan doen? Plant bvijoorbeeld rijen van snelgroeiende soorten (cultuurpopulier, ratelpopulier, …) om de 40 m. Plant de populieren in die rijen ruim (bijvoorbeeld om de 15 à 20 m). Plant de rijen indien mogelijk in een oost-westelijke richting. Elke boom zorgt zo voor een schaduwkegel die draait van NW naar NO. De andere aangerplante boompjes op de kale vlakte zullen zo nooit een volledige dag in de blakende zon staan en kunnen wat recupereren. Tegelijk zorgen die populieren voor een snelle differentiatie in bosstructuur. Ze worden ook snel oud en takelen snel af. Ze zorgen dus snel ofwel voor een inkomen ofwel voor dood hout. Tenslotte kan je 20 – 40 jaar later, als de eerste dunningen in de nieuwe bossen moeten beginnen, de ruiminspistes aanleggen vlak naast de populieren of na vellen van de populieren op de plaats waar ze stonden.

De populierenrijen kan je opvullen met relatief snelgroeiende boomsoorten die ook snel kiemkrachtig zaad vormen zoals berk of zwarte els. Die zullen er dan de komende decennia voor zorgen dat afgestorven groepjes bomen snel worden aangevuld met natuurlijke verjonging.

Per hectare komt dit neer op 20 – 25 populieren en 250 stuks berk, zwarte els of gelijkaardig.

Op te kleine percelen kan je nog altijd verspreid een paar populieren planten.