Volumebepaling met proefvlakken

Een volumebepaling van alle bomen en struiken zal de juistheid van de totale volumebepaling uiteraard verbeteren. In de praktijk is het echter vaak onbegonnen werk om elke individuele boom of struik te meten. De kosten van de arbeidstijd zouden niet opwegen tegen de baten. Het is dan ook eerder uitzonderlijk dat individuele bomen worden opgemeten, al kan men dit overwegen als het gaat om een beperkt aantal. Meestal wordt echter gewerkt met proefvlakken.

Bijna alle proefvlakken worden gekozen op basis van de ervaring van de persoon die de bestandsopname uitvoert, waarbij de gekozen proefvlakken representatief moeten zijn voor het ganse bestand. Het bepalen van het volume houtige biomassa op het terrein begint met het uitzetten van enkele proefvlakken en het opmeten van het volume dat er in deze proefvlakken aanwezig is. Vervolgens worden deze hoeveelheden geëxtrapoleerd naar het ganse bestandsoppervlak. Het is in de praktijk echter zeer moeilijk om in te schatten in hoeverre de gekozen proefvlakken voor deze, vaak beperkte volumes, een representatief beeld opleveren. Ook de hoeveelheid en de grootte van de proefvlakken heeft een invloed. Hoe minder en kleiner de proefvlakken hoe groter de onder- of overschatting. Om de efficiëntie van de opnames te vergroten wordt er slechts een beperkt aantal proefvlakken geselecteerd en opgemeten wat uiteraard de foutenmarge vergroot. Er zijn wel uitzonderingen waarbij enkele goed gekozen proefvlakken al een vrij accurate meting van het volume kunnen opleveren, bijvoorbeeld als het gaat om een homogeen naaldhoutbestand.

Wil je weten hoeveel houtige biomassa er in een terrein aanwezig is? Gebruik dan het rekenblad: volumebepaling van houtige biomassa op stam.

De verdeling en het aantal proefvlakken

Niet zelden is het bepalen van de proefvlakken een subjectief gegeven. Bij de keuze worden vaak proefvlakken genomen die zo optimaal mogelijk bezet zijn met begroeiingen, met de heterogeniteit van het terrein wordt echter minder rekening gehouden. Door de proefvlakken gelijkmatig over het terrein te verdelen wordt een betere spreiding en een betrouwbaarder resultaat verkregen. Bij deze manier van proefvlakverdeling is het aantal proefvlakken dat nodig is afhankelijk van de grootte van het bestand. Hoe groter de oppervlakte, hoe meer proefvlakken nodig zijn. Ook met de heterogeniteit wordt rekening gehouden. Hoe heterogener de bestanden hoe groter de proefvlakken zijn.
Er bestaat simulatiesoftware die kan helpen bij het uitzetten van deze representatieve proefvlakken en die de proefvlakken aan GPS coördinaten linkt.

De grootte van de proefvlakken en het aantal gemeten bomen

De grootte van een proefvlak en het aantal gemeten bomen zijn afhankelijk van de heterogeniteit. Hoe groter die is, hoe groter het proefvlak moet zijn. Homogene bestanden kunnen al nauwkeurig beschreven worden aan de hand van proefvlakken van 10 are, voor heterogene bestanden moeten de proefvlakken minstens 15 are groot zijn. Elk proefvlak moet in ieder geval minstens 20 tot 30 bomen bevatten om representatieve volumes op te kunnen leveren.

 

 

Dwarsstrookmeting - een alternatief voor de proefvlakken en het meten van alle bomen

Bij het gebruik van proefvlakken voor de volumebepaling zijn er veel beperkingen. Daarom is er naast de volumebepaling volgens de klassieke methode (meting van alle bomen) nog een alternatief, de dwarsstrookmeting. Bij deze manier van volumebepalingen wordt een strook van 10 meter breed dwars door het bestand getrokken. Alle bomen binnen deze strook worden gemeten en geïnventariseerd. Door dwars door het bestand te trekken, bekomt men een vrij goed beeld van de verschillende dichtheden in het bestand. Het is niet zo nauwkeurig als de klassieke meting, maar wel eenvoudiger uit te voeren.

 

Het bepalen van de oppervlakte

Naast het juist inschatten van het volume is het juist kunnen inschatten van de oppervlakte belangrijk. Bij de extrapolatie van het volume per proefvlak naar het volume van het ganse terrein kunnen ook fouten ontstaan indien de oppervlaktemetingen niet accuraat worden uitgevoerd.

Voor het inschatten van de oppervlakte van het bestand wordt meestal gebruik gemaakt van GIS-gegevens of Google Earth. De hieruit berekende gegevens zijn vrij nauwkeurig. Ook met behulp van een hand GPS met een oppervlakteberekeningsfunctie kunnen deze gegevens verzameld worden. Een GPS is in de nauwkeurigheid beperkt tot 3 à 5 meter - de precisie is afhankelijk van de kwaliteit van de GPS en het aantal satellieten waarmee men op het moment van de berekening ontvangst heeft.