Vogels van voedselarme bos- en heidecomplexen

De kenmerkende vogelsoorten voor voedselarme bos- en heidecomplexen die hier besproken worden, verkiezen uitgestrekte heidegebieden met aangrenzende, open naaldbossen op zandgronden. Het zijn allen grondbroeders die enkel tijdens het broedseizoen aanwezig zijn. De boompieper  en de nachtzwaluw zijn lange-afstandstrekkers die ten zuiden van de Sahara overwinteren, terwijl de boomleeuwerik een partiële trekvogel is die meteen na het broedseizoen de heidegebieden verlaat en dan in familiegroepjes gaat foerageren in nabijgelegen, voedselrijkere landbouwgebieden. Afhankelijk van de strengheid van de (erop volgende winter) trekt de boomleeuwerik dan verder naar het zuiden. Alle soorten verdedigen relatief kleine broedhabitats (2-8 hectare), maar hun leefgebieden zijn veel uitgestrekter. De nachtzwaluw foerageert vanaf de schemering op allerlei vliegende insecten (vooral nachtvlinders) en legt daarbij grote afstanden af, zodat totale leefgebieden van 100 hectare (en groter) geen uitzondering zijn. De soort foerageert zowel boven de open heide als boven de overgang tussen bos en heide én in aangrenzende open landbouwgebieden. Boomleeuweriken broeden in schaars begroeide, zandige terreinen met een vegetatiehoogte die niet hoger is dan 40 centimeter. Foerageren doen ze steeds op de grond, in nog minder begroeide terreinen (en zandpaden) die op enkele honderden meters (afstand) van het broedterritorium kunnen gelegen zijn. De grote verplaatsingen van de soort binnen heideterreinen zijn erop gericht de kansen op nestpredatie te verlagen. Enkel bij de terugkeer naar het nest wordt kortstondig in de buurt ervan gefoerageerd. Van de drie soorten gebruikt de boompieper de kleinste oppervlakte en hij komt dan ook vaak in de hoogste dichtheden voor. Alle activiteit van de boompieper speelt zich af binnen een oppervlakte van enkele hectaren, waarbij hij steeds op de grond foerageert. Boompiepers komen boompieperdan ook vaker dan de andere soorten voor in kleinere gebieden, zoals kapvlaktes in gesloten naaldbos. Ze zijn ook wat ruimer verspreid in Vlaanderen.

Broedhabitat

Alle soorten zijn gebaat bij een zekere mate van openheid van het terrein. De boomleeuwerik stelt daarbij de hoogste eisen, terwijl de nachtzwaluw en vooral de boompieper een zekere mate van boomopslag en verbossing kunnen verdragen. Voor het behoud van een leefbare populatie van de drie soorten dienen de voedselarme bosen heidecomplexen (broedhabitat en foerageerhabitat) minimaal 500 hectare groot te zijn, gebieden groter dan 1000 hectare zijn optimaal.

De Boomleeuwerik broedt bij voorkeur in open, droog en zonnig terrein op zandige bodem, dat schaars begroeid is met lage kruiden. De vegetatiehoogte van de broedplaats is gemiddeld lager dan 40 centimeter. Te dichte vegetatie wordt gemeden, omdat boomleeuweriken de gewoonte hebben hun nest al foeragerend over kale grond te benaderen. Belangrijk is ook de aanwezigheid van solitaire bomen of een bosrand op 20-50 meter van de nestplaats. Te intensieve recreatie resulteert in lagere dichtheden, maar wordt deels gecompenseerd door een hoger broedsucces. De aanwezigheid van honden (al dan niet aangelijnd) in het broedgebied dient men te vermijden.

Boompiepers zijn meer gebonden aan bosranden dan boomleeuweriken en broeden vaak net in de bosrand. Ze verkiezen een iets ruigere en hogere vegetatie om in te broeden en mijden eveneens vochtige delen.

De broedplaatsen van de Nachtzwaluw bevinden zich meestal in geleidelijke overgangszones van heide naar bos, maar soms ook in meer open heidegebieden met verspreide opslag van dennen.

Fourageerhabitat

Boompiepers foerageren in hun broedhabitat, maar zowel de Nachtzwaluw als de Boomleeuwerik leggen tamelijk grote afstanden af op zoek naar voedsel. Telemetrische studies op de nachtzwaluw hebben uitgewezen dat de soort zowel boven heideterreinen (zowel vochtig als droog) als boven landbouwgebieden op jacht gaat naar voedsel. In het landbouwgebied verkiest de Nachtzwaluw eerder kleinschalige zones met veel houtkanten en bomenrijen, wellicht omdat precies daar de hoogste dichtheden aan vliegende insecten te vinden zijn. In heidegebieden wordt er vooral gefoerageerd boven bos-heideovergangen, terwijl in naaldbossen boven brede zandpaden wordt gevlogen. Het foerageergebied van de Boomleeuwerik is aanzienlijk opener dan het broedgebied en de vegetatie is er ofwel geheel afwezig, ofwel maximaal 5-10 centimeter hoog. Randen van zandverstuivingen, zandpaden en grote open plekken met veel mossen en verspreide groei van grassoorten worden frequent bezocht. Gedurende het broedseizoen zijn afzonderlijke broedparen erg trouw aan hun foerageerlocaties. Grotere plekken worden vaak gedeeld door meerdere paren, zonder daarbij territoriaal gedrag te vertonen.

De soorten van dit ecoprofiel

Beheer

Alle betrokken soorten zijn voor het behoud van lokale populaties afhankelijk van bepaalde vormen van heide- en bosbeheer. Dat beheer moet er vooral op gericht zijn de openheid van het terrein te bewaren, maar het optimale beheer en de timing van de verschillende beheervormen verschilt van soort tot soort. Alle kensoorten reageren erg snel op kaalkap op zandgronden in grote dennenbossen. Een kaalkap van ongeveer 1 hectare kan al voldoende zijn om het volgende broedseizoen een broedpaar van de boompieper aan te trekken. In grote bos- en heidecomplexen is de kaalkap van percelen in een rotatiesysteem een goede methode om lokale populaties te versterken. Kappingen en dunningen grenzend aan open heidegebied zijn daarbij te verkiezen boven meer geïsoleerde kappingen centraal in het bosgebied. Boompiepers en boomleeuweriken verschijnen als eerste om de open ruimte te koloniseren. Bij een natuurlijke successie, met opslag van grove dennen en berken, zal het terrein na enkele jaren optimaal zijn voor de vestiging van de nachtzwaluw. Uiteindelijk zal de opslag te dicht worden voor de drie soorten en dient er opnieuw gekapt te worden.

Plaggen

Plaggen in functie van de vogels van dit ecoprofiel moet bij voorkeur gebeuren in droge terreinen (zowel winter als zomer) en op een afstand van maximaal 100 meter van de dichtstbijzijnde bosrand of boomgroep. Een mozaïek van verschillende kleinere (0.5-2 hectare) plagplekken, gescheiden door hogere vegetatie en/of bosjes en boomgroepen, valt te verkiezen boven één grotere plagzone. Boomleeuweriken kunnen dergelijke locaties meteen gebruiken als foerageergebied en, afhankelijk van de snelheid van de vegetatiesuccessie, na een tot drie jaar als broedlocatie. Eveneens afhankelijk van de snelheid van de vegetatiesuccessie kan een plaglocatie dan drie tot zes jaar geschikt blijven als broedgebied. Wanneer de vegetatie te ruig en/of te hoog wordt voor de boomleeuwerik, kan ze nog enkele jaren geschikt zijn voor de boompieper en vervolgens ook voor de nachtzwaluw.

Maaien of chopperen

Maaien en/of chopperen in functie van de soorten van dit ecoprofiel gebeurt bij voorkeur in de nazomer vanaf september. Het broedseizoen is dan ook voor de nachtzwaluw voorbij. Men kan bij de timing van de maatregel rekening houden met het groeiseizoen van de aanwezige vegetatie. Wanneer hoogopgaande, overwegend grazige vegetaties met verspreide open plekken na het groeiseizoen (van bijvoorbeeld het pijpenstrootje) worden gemaaid, ontstaat het erop volgende voorjaar een geschikte foerageerlocatie voor de boomleeuwerik en, indien gemaaid wordt in de omgeving van een bosrand, ook voor de boompieper. Men kan ook kleinschalig maaien in functie van de creatie van broedlocaties voor de boomleeuwerik. In dat geval maait men het best enkele weken voor het einde van het groeiseizoen van de dominante grassoort op locaties langs bosranden of boomgroepen. Het gras krijgt dan nog de kans om een beetje terug uit te schieten en biedt op die manier net voldoende beschutting voor de nestbouw in het erop volgende voorjaar. Die maatregel levert vooral ook resultaat op wanneer de begroeiing nog voldoende open is en er dus nog verspreide, kale plekken aanwezig zijn. Dat type van maaibeheer kan ook toegepast worden op plaglocaties ouder dan vijf jaar, afhankelijk van de successiesnelheid van de vegetatie. Men kan ook kleinschalig maaien in functie van de nachtzwaluw. Mannetjes van deze soort zoeken overdag namelijk roestplaatsen op die bij voorkeur gelegen zijn langs bosranden of (in) kleine, open plekken in het naaldbos. Ze kiezen bij voorkeur warme, windbeschutte plekken en gebruiken vaak boomstronken of takkenhopen als beschutting, waarbij ook hun schutkleur beter tot zijn recht komt. Chopperen is in vergelijking met maaien vooral geschikt om tijdelijk geschikte foerageerplekken te creëren. Om broedlocaties te beheren lijkt plaggen dan efficiënter, omdat dergelijke locaties langer geschikt blijven, terwijl gechopperde percelen sneller terug dichtgroeien met grazige vegetaties.

Begrazen

Begrazing met runderen en/of schapen is één van de meest toegepaste beheer(s)vormen in grote bos- en heidecomplexen. Het effect van de begrazing is afhankelijk van een aantal factoren: de soort(en) grazer(s),de dichtheid van de grazers, de timing van de begrazing en de duur van de begrazing. De effecten van de begrazing op de flora en vegetaties zijn tamelijk goed gekend en werden onderzocht in tal van experimentele studies. De effecten ervan op allerlei diersoorten kenmerkend voor open heidegebieden, kregen echter relatief weinig aandacht in onderzoeksprojecten. INBO-onderzoek naar boomleeuweriken en studies naar nachtzwaluwen en boompiepers in het Verenigd Koninkrijk laten ons toe voor dit ecoprofiel een inschatting te maken van een aantal mogelijke effecten op die soorten grondbroeders. Extensieve begrazing met schapen (circa 0.6 ooien/hectare) in de Kalmthoutse Heide blijkt een negatief effect te hebben op de voortplanting van de boomleeuwerik. Dagactieve predatoren (vooral vogels) kunnen de leeuweriknesten gemakkelijker lokaliseren in de aanwezigheid van schaapskuddes. De broedvogels worden wellicht actief verstoord door de grazende schapen en de gedragswijziging (opvliegen van het nest, alarmeren …) zorgt daarbij voor een toegenomen predatiekans. Door de start van de begrazing uit te stellen tot na het broedseizoen kan dat effect vrij eenvoudig vermeden worden. In het algemeen kan men stellen dat men bij het opstellen van begrazingsschema’s in de mate van het mogelijke rekening moet houden met het habitatgebruik van de grazers én de grondbroedende vogelsoorten, alsook met de timing van de begrazing en het broedseizoen van de betreffende soorten. Zo grazen schapen bij voorkeur in het geprefereerde broedgebied van boomleeuweriken, terwijl runderen ook in ruigere, hogere vegetatie grazen. In tegenstelling tot schapen zijn ze ook vaak te vinden in de vochtigere delen van het terrein. Soorten zoals de nachtzwaluw, de roodborsttapuit en de boompieper zijn daarom wellicht gevoeliger voor begrazing met runderen dan voor schapenbegrazing. Het broedseizoen van nachtzwaluwen en roodborsttapuiten overlapt ook veel langer met de gangbare begrazingsschema’s, waardoor de kans op verstoring mogelijk toeneemt. Stootbegrazing moet tijdens het broedseizoen steeds vermeden worden, maar indien uitgevoerd vanaf september kan het resulteren in een erg goede uitgangssituatie voor grondbroeders in het erop volgende voorjaar. De effecten zijn dan vergelijkbaar met die van maaibeheer, maar door de ongelijkmatige verkorting van de vegetatie is er meer variatie en beschutting voor de nestbouw van grondbroedende soorten.

Branden

Gecontroleerd branden wordt nog zelden aangewend als beheermaatregel in bosen heidecomplexen. Het maatschappelijke draagvlak ervoor is klein en beheerders schrikken er dan ook meer en meer voor terug. Naar aanleiding van een grote (ruim 400 hectare), niet gecontroleerde heidebrand in de Kalmthoutse Heide in 2011 werd de erop volgende kolonisatie van grondbroedende vogelsoorten in kaart gebracht in 2012-2013. Daar waar de brand ook in de bosranden had gewoed, nam zowel de populatie van de boomleeuwerik als van de nachtzwaluw sterk toe vanaf het eerste jaar na de brand. Voor boomleeuweriken ontstond er een geschikte afwisseling tussen schaarsbegroeide, grazige plekken en afgebrande, open plekken, terwijl de nachtzwaluw profiteerde van het doorbreken van de harde grens tussen heide en bosgebied. De andere besproken beheermaatregelen voor open bos- en heidesystemen moeten echter aangewend worden om de ongewenste effecten van een heidebrand – met name vergrassing met het pijpenstrootje – tegen te gaan. Een differentiatie van de hierboven besproken beheer(s)vormen in ruimte en tijd, is voor de meeste van onze grotere bos- en heidecomplexen de aangewezen werkwijze, daarbij steunend op monitoringdata van de betrokken soorten (flora én fauna) en bij voorkeur gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en een ruime kennis van de ecologie van die doelsoorten.