Vlinders en sprinkhanen van structuurrijke heiden

Structuurrijke heiden zijn vrij zeldzaam in Vlaanderen en beslaan een oppervlakte van 8100-10.200 hectare (2300-2600 hectare psammofiele heide met struikhei en stekelbrem, 1500-2200 hectare Noord-Atlantische vochtige heide met dophei en 4300-5400 hectare droge Europese heide). 97 procent van de oppervlakte van die biotopen is te vinden in de Kempen en de rest komt voor in de Vlaamse zandstreek. 63 procent van de percelen is kleiner dan 1 hectare en elf procent is groter dan 5 hectare. Alle soorten uit dit ecoprofiel zijn ongewervelden die vaak een veel kleinere oppervlaktebehoefte hebben dan grote zoogdieren of vogels. Dat betekent echter niet dat de oppervlakte van structuurrijke heide voor die soorten klein mag zijn. Om een duurzame populatie te herbergen is een relatief grote oppervlakte nodig of zijn meerdere, kleinere gebieden nodig die zich binnen de dispersiecapaciteit van de soort bevinden (metapopulatie). Binnen de oppervlakte van de biotoop zijn verschillende, soortspecifieke habitatvereisten (zoals nectaraanbod, waardplanten, een warm microklimaat, beschutting, plekken waar een territorium verdedigd kan worden en/of structuurvariatie) noodzakelijk, die bovendien op een dusdanige afstand van elkaar aanwezig moeten zijn dat ze voor de soort een functioneel en bruikbaar geheel vormen. Binnen de biotoop hangt het schaalniveau van de habitat sterk af van de individuele en specifieke ecologische behoefte van de verschillende soorten. Een soort met een grote nectarbehoefte zal dan ook andere eisen stellen aan de habitat dan een soort met specifieke microklimaateisen. zadelsprinkhaan Kwaliteiten

Habitat

De biotoop ‘structuurrijke heide’ moet voldoende groot zijn, in een metapopulatiestructuur aanwezig zijn en de verschillende delen moeten bij voorkeur in verbinding staan met elkaar. Voor het groentje bijvoorbeeld, dat nogal wat verschillende, soortspecifieke eisen aan de habitat stelt, is een minimumoppervlakte van ongeveer 65 hectare nodig. De kwaliteiten waaraan de habitat voor de typische soorten van structuurrijke heide moet voldoen, hebben betrekking op waardplanten, een warm microklimaat en de aanwezigheid van zowel een horizontale als verticale structuurvariatie (bijvoorbeeld voor het verdedigen van territoria). Waardplanten moeten er niet alleen in voldoende hoge densiteiten staan, ze moeten ook in de juiste omstandigheden staan.
De ecologie van de verschillende soorten lees je in de fiches hieronder.

Beheer

Het beheer van structuurrijke heiden kan op verschillende schalen gebeuren. In grote heidegebieden is extensieve begrazing met runderen of schapen en/of gecontroleerd branden een goede beheermaatregel. Daarnaast kan zowel in grote als in kleine gebieden op een kleinere schaal geplagd, gemaaid, gechopperd en/of gekamd worden. Wanneer de opslag van dennen en/of berken te dicht wordt, moet die verwijderd worden. Het is echter niet aangewezen om alle opslag te verwijderen omdat dergelijke kleine struiken en bomen belangrijke ecologische hulpbronnen (verdedigen van een territorium, zangposten voor vogels, afkoeling bij bijzonder warm weer …) zijn voor heel wat typische heidesoorten. Op structuurrijke, natte heide moet men zorgen voor een voldoende hoog grondwaterpeil (maar zie gentiaanblauwtje). Belangrijk is dat de structuurvariatie behouden blijft of gecreëerd wordt met voldoende afwisseling in de vegetatiehoogte (van kale bodem tot opgaande bosranden), maar ook de variatie in vegetatietypen is belangrijk (mozaïek van verschillende leeftijden droge heide, afgewisseld met natte heide en hier en daar struwelen en nectarbronnen).

In natte heide is het gentiaanblauwtje, omwille van de complexe levenscyclus, een moeilijk te beheren soort. Voor de waardplant biedt het kleinschalig plaggen in de onmiddellijke omgeving van bestaande planten goede kiemingsmogelijkheden, al moet er de laatste jaren, vanwege de hoge stikstofdepositie, vaak bijgekalkt worden om de plant tot kieming te laten komen. Door het egaliserende effect zijn grootschalige plagplekken vaak meer dan tien jaar ongeschikt voor de waardmieren en dus voor het gentiaanblauwtje. Extensieve begrazing met runderen of schapen, waarbij grote plekken met waardplanten tijdelijk uitgerasterd worden, kan een bijzonder gunstig effect hebben. Geleidelijke vernatting van leefgebieden heeft vaak een positief effect op de waardplant, maar men moet vermijden dat mierennesten langdurig onder water komen te staan. Het groentje maakt gebruik van boompjes en struiken om een territorium te verdedigen. Bij het beheer op heiden is het dan ook wenselijk om die landschapselementen te behouden. Daarnaast moet men een totale verbossing en verstruweling van heide en kapvlakten vermijden door regelmatig te kappen.

Het heideblauwtje komt vaak voor in heidegebieden waarin zowel droge als vochtige heide te vinden zijn. De soort is vooral gebaat bij een beheer waarbij de heidestruiken regelmatig verjongen. Het behoud of de creatie van structuurvariatie en voldoende afwisseling tussen droge en vochtige heide, kan men realiseren door kleinschalig plaggen, maaien en/of extensieve begrazing. Leefgebieden verbinden is cruciaal voor deze, weinig mobiele soort. De meest gunstige maatregel voor de heivlinder is het behoud van grote en goed verbonden gebieden, met een actief beheer waardoor men vermijdt dat heiden volledig dichtgroeien. Op warme dagen zoeken heivlinders vaak beschutting op in bosranden of struwelen en het is dan ook wenselijk om hier en daar bomen en struiken te behouden. Extensieve begrazing, plaggen en/of gefaseerd maaien zijn geschikte maatregelen voor het verkrijgen of behouden van een gevarieerd leefgebied. Een sterke uitbreiding van het uitheemse grijs kronkelsteeltje op (stuif)duinen zou de heide voor de heivlinder minder geschikt kunnen maken.

Aangezien de kommavlinder een soort is die houdt van een zeer warm microklimaat, is het belangrijk om schrale graslanden en droge heiden met een lage en snel opwarmende vegetatie te behouden of te creëren. Kleinschalig plaggen om in de buurt van de waardplanten open grond te creëren, kan het aantal geschikte eiafzetplanten aanzienlijk verhogen. Men kan een voldoende groot nectaraanbod in augustus realiseren door overbegrazing in die periode te vermijden en/of door bloemrijke ruigten in de buurt van bestaande populaties laat te maaien.

Voor sprinkhanen gelden grotendeels dezelfde beheermaatregelen als voor de besproken dagvlinders. Door de beperkte mobiliteit van enkele soorten (heidesabelsprinkhaan en zadelsprinkhaan) is het voor de soortengroep nog belangrijker dat er maatregelen genomen worden in de onmiddellijke omgeving van bestaande populaties.