Opvolgen van resultaatindicatoren

Om een idee te hebben of je natuurstreefbeeld de goede kant op evolueert door je beheermaatregelen, dien je om de 3 of 6 jaar een inschatting te maken van de toestand. Bij veel natuurstreefbeelden kan dat op het zicht, maar bij een aantal wordt opgelegd met resultaatindicatoren te werken. Ook als er onzekerheid is of het einddoel zal worden gehaald, kan het gebruik van resultaatindicatoren worden opgenomen in het natuurbeheerplan.

Resultaatindicatoren zijn plantensoorten en andere indicatoren die indicatief zijn voor:

  • De gewenste eindtoestand (sleutelsoorten en structuurkenmerken).
    Sleutelsoorten zijn doelsoorten van het eindbeeld, hun aanwezigheid duidt erop dat de abiotiek zo ongeveer is bereikt. Voorbeelden zijn Grote muggenorchis en Parnassia in kalkmoeras.
  • Een verstoring van de gewenste toestand: verruiging, verzuring,… (verstoringsindicatoren)
    Als het door een verkeerd beheer of externe factoren de verkeerde kant opgaat, kan je verstoringsindicatoren gebruiken om dit sneller op te merken. Voorbeelden zijn Liesgras en eendenkrozen in zoetwaterhabitats, die duiden op wateraanrijking.
  • Een gunstige evolutie naar de gewenste eindtoestand (trajectsoorten).
    Trajectsoorten geven aan dat je op de goede weg bent, maar zijn niet per se doelsoorten. Vooral als je nog ver verwijderd bent van de eindtoestand kunnen trajectsoorten meer vertellen dan de veel kritischere en zeldzamere doelsoorten, die mogelijk pas opduiken na tientallen jaren. Voorbeelden zijn Reukgras en Duizendblad in graslanden. Ze zijn te algemeen om een doelsoort te zijn, maar als je start van een slecht ontwikkeld grasland, geven ze wel aan dat je op de goede weg bent.

Resultaatindicatoren zijn specifiek voor een natuurstreefbeeld. De frequentie waarmee de lijsten met resultaatindicatoren moeten ingevuld worden, is afhankelijk van de ontwikkelingsfase:

  • Ontwikkelingsbeheer: minstens 2 keer binnen de eerste 6 jaar na inrichting,
  • Herstel- en instandhoudingsbeheer: om de 6 jaar.

 

 

Hoeveel meetpunten?

Het aantal in te vullen indicatorlijsten hangt af van de totale oppervlakte (ha) van een natuurstreefbeeld en het aandeel hiervan in ontwikkeling/herstel dan wel in instandhouding. Het minimum aantal indicatorlijsten (n) dat moet ingevuld worden, wordt vastgelegd in het natuurbeheerplan en wordt berekend aan de hand van volgende formule:

 

Aantal lijsten = 50 / (1 + (50 / oppervlakte NSB))

 

In onderstaande tabel krijg je een ruw idee van hoeveel indicatorlijsten dat zijn. Maar maak zeker je eigen berekening. Het eindresultaat kan je afronden.
 

Oppervlakte Aantal lijsten
1 1
5 5
9 8
10 8
15 12
50 25
100 33

Wanneer meten?

De lijsten met resultaatindicatoren dienen ingevuld te worden in het optimale vegetatieseizoen, wat afhankelijk is van o.a. biomassaproductie, bloei van relevante soorten, (maai)beheer en toegankelijkheid. De optimale periode is verschillend voor elk vegetatietype: zie figuur. Bij herhaalde monitoring is het aan te raden om de lijsten met resultaatindicatoren telkens rond dezelfde datum in te vullen om de vergelijkbaarheid tussen de gegevens te vergroten.

 

Opnames spreiden

De plaatsen waar het best indicatorlijsten worden ingevuld, is afhankelijk van de beheervragen die voor het gebied gesteld worden. Deze plaatsen wordt dus best bepaald door de beheerder. Als algemene regel geldt wel:

  • Indien geen specifieke beheervraag: goede ruimtelijke spreiding van de opnames binnen het gebied en/of de beheereenheden.
  • Indien specifieke beheervraag (bv. verdroging, effect van maatregel, …): gericht opnames doen en de meest kritische en/of onzekere plaatsen opvolgen.
    Het zal niet steeds zeker zijn dat de doelen overal gehaald gaan worden, het is net daar dat de opvolging mopet gebeuren.