Ontsluiting via verplegingspaden (QD)

De volgende stap is het realiseren van een degelijke ontsluiting om de doorgang en opvolging van het jonge QD-bestand mogelijk te maken. Hiervoor leg je in eerste instantie elke 10 tot 20 meter zogenaamde verplegingspaden aan.
Het openmaken van de verplegingspaden kan je met behulp van handgereedschap zoals kapmes, of motormanueel met een bosmaaier of Spacer, of zelfs met een smalle klepelmaaier.
De paden zijn 1 tot maximum 2 meter breed.  Breder hoeft niet, omdat dit de dichtstand en de natuurlijke stamreiniging zou onderbreken. In het beste geval leg je deze paden voor het eerst aan als het bos nog vrij jong is en de boompjes zo’n 2 tot 3 meter hoog zijn.
De paden kunnen tijdens de dimensioneringsfase verbreed worden tot toekomstige ruimingspistes van zo’n vier à vijf meter breed. Niet elk verplegingspad wordt een piste, want deze moeten later immers minstens 40 meter uit elkaar liggen.
 

Ontsluiting via verplegingspaden

Voor je de effectieve verplegingswerken kunt uitvoeren, begin je eerst met het realiseren van een degelijke ontsluiting van het jonge, dense bos. Hiervoor leg je in eerste instantie elke 10 tot 20 meter zogenaamde verplegingspaden aan.

De paden zijn 1 tot 2 meter breed.  Breder hoeft niet, omdat dit de dichtstand en de natuurlijke stamreiniging zou onderbreken. In het beste geval leg je deze paden voor het eerst aan als het bos nog vrij jong is en de boompjes zo’n 2 tot 3 meter hoog zijn. Aanleg van de paden is af te raden tijdens de schoontijd.

De verplegingspaden kunnen tijdens de dimensioneringsfase verder gebruikt en verbreed worden tot toekomstige ruimingspistes van uiteindelijk zo’n vier à vijf meter breed. Niet elk verplegingspad wordt een piste, want deze moeten later immers minstens 40 meter uit elkaar liggen.

Aanleg van de paden gebeurt het best met m.b.v. een klepelmaaier of bosfrees (afhankelijk van de dikte van bomen) of met (motor)manueel gereedschap zoals bosmaaier of Spacer.