Monitoring in het natuurbeheerplan

Bij de nieuwe natuurbeheerplannen is beheeropvolging en beheerevaluatie een essentieel onderdeel om de resultaten van het beheer te kunnen volgen en waar nodig het beheer of de doelstellingen bij te sturen. Concreet wordt er van de beheerders verwacht dat ze zesjaarlijks een kwalitatieve evaluatie per natuurstreefbeeld uitvoeren en daarnaast de uitgevoerde maatregelen die gesubsidieerd worden jaarlijks registreren. Op basis van de beheerevaluatie wordt in samenspraak met ANB beslist of er bijsturing nodig is van de maatregelen en/of de doelstellingen.

Er is voorlopig geen standaardformulier om een monitoringsplan op te stellen. De gevraagde informatie lijkt beperkt, zie hieronder, maar kan in geval van aanwezigheid van bepaalde zeldzamere natuurstreefbeelden of soorten toch uitgebreid zijn. In dit hoofdstuk begeleiden we je bij de opmaak van dit plan.

De beheeropvolging heeft in eerste instantie betrekking op de mate waarin de beoogde natuurstreefbeelden worden bereikt, en in tweede instantie op de mate waarin de beheer- en inrichtingsmaatregelen worden uitgevoerd. We herhalen hier even dat bij het bepalen van je doelstellingen, deze doelen SMART (Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden ) moeten zijn, maar ze zijn meestal nog niet gehaald. Daar dienen dan de beheermaatregelen voor.

Om de 6 jaar (3 jaar na inrichtingswerken) gebeurt een beheerevaluatie met de bedoeling het beheer bij te sturen waar nodig. Desnoods worden de doelstellingen bijgesteld, maar dit pas in tweede instantie. Deze beheerevaluatie gebeurt aan de hand van een evaluatieformulier waarbij een inschatting gebeurt van enerzijds de kwaliteit van het natuurstreefbeeld en anderzijds de risico’s en invloedsfactoren. Voor bepaalde natuurstreefbeelden worden hiertoe specifieke indicatoren (planten, waterpeilen,...) opgevolgd, namelijk wanneer er onvoldoende zekerheid is dat de natuurstreefbeelden zullen gehaald worden bij het uitvoeren van de geplande maatregelen.

Bij de beheeropvolging worden 4 methodes onderscheiden, waarbij de methode afhangt van de beoogde beheerdoelstelling:

  1. Basis: Dit moet voor elk natuurstreefbeeld gebeuren. De kost is verrekend in de beheersubsidie. De 6-jaarlijkse beheerevaluatie bestaat uit
    1. de jaarlijkse registratie van de uitgevoerde werken,
    2. 6-jaarlijks wordt het natuurstreefbeeld kwalitatief ingeschat naar best professional judgment. Het is dus de beheerder zelf die inschat of hij op schema zit om de doelen te halen.
       
  2. Basis + opvolgen aan de hand van resultaatindicatoren. Hiervoor is een aanvullende subsidie van 20 €/ha/jaar voorzien, deze methode geldt voor een bepaalde lijst natuurstreefbeelden die meestal wat zeldzamer zijn.
    1. de jaarlijkse registratie van de uitgevoerde werken,
    2. de 6-jaarlijkse kwalitatieve inschatting van het natuurstreefbeeld gebeurt aan de hand van resultaatindicatoren. Dat is een lijst plantensoorten en andere parameters die indicatief zijn voor de gewenste eindtoestand, aangevuld met soorten die duiden op een gunstige of ongunstige evolutie.
       
  3. Basis + opvolgen grond- en/of oppervlaktewaterpeilen. Bepaalde natuurstreefbeelden zijn sterk afhankelijk van grondwater- of oppervlaktewaterstanden. Voor deze natuurstreefbeelden kan of moet ook het grond- of oppervlaktewaterpeil opgevolgd worden. Hiervoor wordt de aanvullende subsidie van 20 €/ha/jaar verhoogd tot 150 €/jaar per gemeten peilbuis.
    1. de jaarlijkse registratie van de uitgevoerde werken,
    2. het opvolgen van de waterpeilen door bijvoorbeeld peilbuizen of piëzometers via manuele metingen of automatische loggers.
       
  4. Doelsoorten: opvolgen via gestandaardiseerde vangst- of telmethode. Wanneer een soort als doel is opgenomen in het natuurbeheerplan kan het wenselijk zijn dat niet enkel het leefgebied van de soort wordt opgevolgd, maar ook de soort zelf via een gestandaardiseerde vangst- of telmethode, de zogenaamde meetprotocols. Hiervoor wordt de aanvullende subsidie verhoogd van 20€/ha/jaar tot 50 €/ha/jaar.

Op onderstaande lijst kan je zien welk natuurstreefbeeld in aanmerking komt voor welke methode. De kolom "moet" is de minimumlat. Meer monitoren mag natuurlijk altijd, zeker als de beheerder het gevoel heeft dat het einddoel halen niet gegarandeerd is. Een voorbeeld is een externe druk (grondwateronttrekking, influx van stikstof) of onzekerheid over de abiotiek (fosfaatbelasting). De kolom "kan" kan in overleg met het ANB in zelfs aanmerking komen voor subsidie.

Wat bedoeld wordt met waterpeilen, meetprotocols en resultaatindicatoren, wordt uitgelegd op andere pagina's in dit hoofdstuk.

Code goede praktijk beheermonitoring v3

In deze code lees je wat van natuurbeheerders wordt verwacht bij het invullen van hoofdstuk 5 van het natuurbeheerplan, namelijk de Beheeropvolging.
Bij de nieuwe natuurbeheerplannen is beheeropvolging en beheerevaluatie immers een essentieel onderdeel om de resultaten van het beheer te...

PDF-pictogram Download (533.8 KB)