Monitoring

Bij het beheer van natuur- en bosgebieden, wordt vertrokken vanuit beheerdoelstellingen. Men wil bijvoorbeeld heide herstellen. Eerst wordt omschreven hoe een goede heide eruitziet (een natuurstreefbeeld). Dan wordt geprobeerd deze doelstellingen te realiseren via concrete beheermaatregelen zoals plaggen of maaien. Belangrijk is dat de beheerder op tijd weet of de heide effectief de goede kant opgaat en kan bijsturen indien niet het gewenste resultaat wordt gehaald. Hoe sneller ingegrepen wordt, hoe effectiever het beheer en hoe sneller en beter het oorspronkelijke doel kan worden gehaald. Dat opvolgen van het beheer lijkt simpeler dan het is. Hoe weten we bijvoorbeeld snel dat het met verschraling de goeie kant opgaat, nog voor de zeer zeldzame planten verschijnen?

Slechts door op regelmatige tijdstippen een vaste meting te doen op bijvoorbeeld de achteruitgang van stikstofminnende planten kunnen we hier goede conclusies trekken. Hetzelfde geldt met soortbeheer, gaan mijn doelsoorten vooruit? Stel dat ik op jaar 1 de broedvogels tel in mei, op jaar 2 de vlinders, op jaar 3 terug de vogels, maar dan in september, jaar 4 libellen, jaar 5 terug vlinders maar nu zoek ik drie keer zo lang als in jaar 2. Het zesde jaar telt iemand anders die er veel meer van kent dan ik.
Met die resultaten krijg je misschien een goed idee van de soortenrijkdom in je gebied, maar niet of het met de vlinders en vogels nu beter of slechter gaat. Dat kan pas als je ieder jaar letterlijk hetzelfde doet, gestandaardiseerd en op regelmatige tijdstippen. Dat is monitoring.

Afhankelijk van de doelsoort en het natuurstreefbeeld en/of de fase waarin het zich bevindt, legt de overheid een van de volgende vier monitoringspakketten op.

  1. Basismonitoring
    jaarlijks worden de uitgevoerde werken geregistreerd en om de 6 jaar wordt een globale inschatting gemaakt van de kwaliteit van het natuurstreefbeeld. Dit gebeurt door een eenvoudige inschatting van de beheerder.
  2. Basis en indicatorlijsten
    Naast de beheerwerken wordt om de zes jaar een inschatting gemaakt van de vooruitgang op basis van indicatorlijsten. Voor bijna elk natuurstreefbeeld zijn plantensoorten vastgesteld waarvan de bedekking ruwweg moet worden ingeschat.
  3. Basis en waterpeilen
    Sommige natuurstreefbeelden zijn erg gevoelig aan veranderingen van grondwaterpeilen. Het probleem is dat zo'n verandering niet meteen zichtbaar is aan de vegetatie. Om sneller in te grijpen is een rechtstreekse meting van deze peilen nodig. Meer over het gebruik van peilbuizen zie je ‘Moeras en water’.
  4. Soorten
    Soms worden doelsoorten opgenomen in het natuurbeheerplan. Naast het opvolgen van de habitatkwaliteit kan het nuttig zijn een rechtstreekse telling of dichtheidsmeting op die soort uit te voeren. Voor die doelsoorten zijn gestandaardiseerde methodieken voorzien. Je hoeft ze dus niet zelf op te stellen.

In de praktijk zal je voor soo rten waarvoor je subsidies krijgt, een opgelegd monitoringsprotocol krijgen. Dat heeft de volgende eigenschappen:

  • Het meet wat je wil weten (vooruitgang vd soort of broedsucces vb.)
  • Het is te meten op een eenvoudige en betaalbare manier (anders is het niet vol te houden)
  • Iedereen die het plan leest kan een goede meting doen (je kan niet decennialang rekenen op dezelfde persoon)

Om gestandaardiseerd te kunnen werken, is zo’n plan goed doordacht. Belangrijk is wat, wanneer en waar. In de les gaan we een bescheiden poging doen zo'n plan op te stellen.

Daarbij worden volgende items verwacht:

  1. Beschrijving telmethode:
    1. Wat tellen? (zin gende dieren of nesten of aantal eieren, koppels,...?)
    2. Hoe vermijd je dat er dubbel geteld wordt?
    3. Hoe noteren? (ontwerp een invulformulier)
  2. Wanneer tellen?
    1. Ontwerp een kalender: wanneer wordt wat geteld?
    2. Wat is de frequentie, hoeveel keer per jaar wordt geteld?
    3. Bij welke omstandigheden wordt net wel of net niet geteld?
  3. Waar tellen en hoe ?
    1. Een route, een bepaald gebied, een staalname?
    2. Hoe lang tellen? Door hoeveel personen?
    3. Hoe verwerken?
    4. Ontwerp een tabel voor de resultaten.

       

Enkele voorbeelden

Handleiding Landelijke Meetnetten Vlinders en Libellen

De bedoeling van de Landelijke Meetnetten is de voor- en achteruitgang van vlinders en libellen op de voet te volgen. We doen dit meestal door het tellen van volwassen vlinders of libellen, maar voor enkele soorten volgen we een andere methode. Zo kunnen we positieve ontwikkelingen volgen
...

PDF-pictogram Download (921.13 KB)

Overzicht van mogelijke telmethoden voor everzwijn. Een literatuurstudie

Sinds kort kennen de everzwijnpopulaties in Vlaanderen een sterke toename. In dit rapport wordt een overzicht gegeven van mogelijke telmethodes, met de voor- en nadelen. Helaas bestaat nog geen gevalideerde methode. Een combinatie van enkele methoden wordt aangeraden voor het opvolgen van de...

Vlindermonitoring is het onderzoeken van de trend van vlinderpopulaties. Met andere woorden, gaan vlinders erop vooruit of achteruit, zijn er verschillen tussen soorten en is dat in alle regio's zo?