Moerasvogels

^De soorten van dit ecoprofiel komen voor in een open tot halfopen landschap, waarbij een brede waaier van moerastypen wordt gebruikt. Dat gaat van laagveenmoerassen, vroegere visvijvers met rietzomen, duinplassen, moerasbossen of -bosjes, recente afgravingen, kanalen en rivieren met oeverrietvegetaties, kreken tot zelfs, voor de kleinere soorten, smalle rietkragen. Alle hier besproken soorten gebruiken die moerasgebieden als broedplaats, maar hun broedhabitat verschilt sterk en hangt af van de aanwezigheid en de oppervlakte van moerasbos, verspreide struiken, uitgestrekte rietvelden, waterrijke zones en ondiepere delen met zeggenvegetaties of zelfs ruigere vegetaties. Bij de grotere soorten zijn vooral de lepelaar, kwak, bruine kiekendief en in mindere mate roerdomp sterk afhankelijk van het (wijde) omgevende landschap als foerageergebied. Het landschap moet grotendeels open zijn voor die soorten. Voor de drie reigerachtigen is de aanwezigheid van waterrijke gebieden met eutroof water noodzakelijk, terwijl de bruine kiekendief in Vlaanderen vooral jaagt in cultuurlandschap. Bij het woudaapje, het porseleinhoen en de blauwborst zijn het broed- en foerageerhabitat nauwer met elkaar verweven. De lepelaar en de kwak foerageren in open landschap in ondiepe waters, waarbij de lepelaar open plassen met weinig waterplanten en met enige invloed van getij of met zwakke stroming verkiest. De kwak foerageert graag langs water met struiken of vegetatie. De roerdomp zoekt voedsel binnen het broedgebied en verkiest dan stroken met open water, maar vliegt ook naar gebieden buiten die zone. De bruine kiekendief foerageert in grote moerasgebieden met veel open water, maar gebruikt toch vooral – en zeker in kleinere rietvelden – het omgevende, open tot halfopen landbouwlandschap als voedselgebied. Hij foerageert zowel in akkerland als in grasland, maar ook langs dijken en allerlei watergangen. Daarbij kan tot 5 kilometer van het nest gefoerageerd worden, afhankelijk van de voedselsituatie. De voedselvluchten van de reigerachtigen kunnen enkele honderden tot meerdere kilometers bedragen, afhankelijk van de lokale situatie. Dichte bebouwing of zones met sterke bebossing kunnen een barrière-effect hebben. Het woudaapje, het porseleinhoen en de blauwborst foerageren overwegend binnen of nabij de broedhabitat. De kwak is vooral nachtactief en rust overdag in het struikgewas of de bomen. Enkel de roerdomp overwintert in Vlaanderen (bruine kiekendief en lepelaar soms ook in een klein aantal) en is dan in moerasgebieden aan te treffen, maar ook langs poldersloten, andere waterlopen en in ruigten in open landbouwlandschap. Bij een aanhoudende koude kan sterfte optreden. De andere soorten trekken naar het zuiden (Zuid-Europa, Noord- en Midden-Afrika) en zijn daar voor hun overleving afhankelijk van de plaatselijke voedsel- en rustgebieden en weersomstandigheden. Regenrijke winters in de Sahelzone zijn over het algemeen positief voor de overleving van de Afrikatrekkers.

Kwaliteit en beheer van het landschap

Bij het inrichten of beheren van een gebied is het aangeraden het beheer voor reeds aanwezige moerassoorten te bestendigen. Het succes daarvan hangt evenwel sterk af van de grootte van het gebied en dus de mogelijkheden tot verdere ontwikkeling van de aanwezige habitats. De algemene kwaliteit van het omgevende landschap is eveneens belangrijk omdat een aantal soorten van moerasgebieden ervan afhankelijk zijn. Als natuurontwikkeling hier beperkt is, zal de kans klein zijn dat bepaalde populaties of soorten in kleine moerasgebieden kunnen standhouden of zich verder ontwikkelen. De grote mate van fragmentatie en urbanisatie van ons landschap hypothekeert op veel plaatsen de realisatie van kwaliteitsvolle natuurinrichtingsprojecten. Voor het duurzaam voortbestaan van een aantal soorten moerasvogels zijn grotere oppervlaktes absoluut noodzakelijk. Er zijn weinig gebieden in Vlaanderen die aan die oppervlakte-eisen voldoen en dus zullen er meestal keuzes moeten gemaakt worden. Die kunnen gemaakt worden op basis van de natuurdoelen die op Vlaams en lokaal niveau opgemaakt werden en door rekening te houden met de oppervlaktevereisten van de soorten. In kleinere gebieden moet men altijd goed afwegen welke prioriteiten men wil en of een bepaald beheer andere natuurwaarden in het gebied kan hypothekeren. In rietmoerassen kan bijvoorbeeld een keuze nodig zijn tussen enerzijds het maaien van riet in de winter voor het verjongen van de vegetatie ten voordele van rietvogels en anderzijds het maaien van riet in de zomer in het kader van een botanisch beheer van nat (riet)hooiland. Bij het inrichten van (nieuwe) gebieden is het nuttig om gebruik te maken van modellen die de potenties aangeven (op basis van aanwezige kenmerken, kwaliteit van het gebied, oppervlaktes die potentieel kunnen gebruikt worden, mogelijkheden van waterpeilbeheer …). Daardoor kan men gerichtere keuzes maken en zo de kansen tot succes verhogen.   Gebied Het praktische beheer van een moerasgebied richt zich vooral op waterpeilbeheer en de zorg voor een goede waterkwaliteit. Verder zijn rietlandbeheer en het tegengaan van verbossing belangrijke items. In grote moerasgebieden binnen een geschikt landschap (met goede foerageermogelijkheden) kunnen door de aanwezigheid van diepere en ondiepere zones, in combinatie met verschillen in vegetatiestructuur, situaties ontstaan die geschikt zijn voor een hele reeks moerasvogels. Dat gaat van vogels die vooral open riet verkiezen, zoals de roerdomp, tot vogels van moerasbos, zoals de kwak. In kleinere gebieden, zelfs in een geschikte omgeving, zijn de mogelijkheden meestal beperkt omdat de soorten minimale oppervlaktes aan habitat nodig hebben en dus moeilijk allemaal samen in een klein gebied kunnen voorkomen. Voor het beheer moeten er dan specifieke keuzes gemaakt worden.

Beheer: waterpeil

De grotere soorten vertonen een voorkeur voor moerassen met een afwisseling van zones met diepere (tot 2,5 meter) en ondiepere zones (10-30 centimeter). Voor het porseleinhoen zijn natte situaties met ondiep (minder dan 15 centimeter diep) water cruciaal. Het water moet helder zijn en voldoende kleine tot middelgrote visjes bevatten en rijk zijn aan waterinsecten. Het waterniveau moet stabiel zijn, met tijdens het broedseizoen maximale schommelingen van een tiental centimeter. De blauwborst verkiest eveneens eerder vochtige zones, maar kan ook in vrij droge situaties voorkomen. Om permanent water met diepere en ondiepere zones voor de grotere reigerachtigen te realiseren, kan men kiezen voor de uitbouw van een systeem met sluisjes en dammetjes, waardoor het peil binnen (en buiten) het gebied kan gecontroleerd worden.
Daardoor kan men ook vermijden dat er plotse waterpeilschommelingen optreden, waardoor nesten kunnen onderlopen. Anderzijds is er bij het porseleinhoen wel een zekere natuurlijke overstromingsdynamiek (met wisselende peilen) noodzakelijk om de vegetatietypes (vooral grote zeggenvegetaties) waarin hij broedt, te behouden of te laten ontwikkelen. In elk gebied moet men dus de afweging maken welke combinaties van peilen en peilbeheermethodes optimaal of praktisch uitvoerbaar zijn. Wanneer de aanpassing van het waterpeil moeilijk is, kan men in het kader van bijvoorbeeld natuurontwikkeling, -herstel of de herinrichting van plassen, beken en kanalen een gevarieerde oevervegetatie met riet bevorderen door zachthellende oevers te maken waardoor ondiepe randzones ontstaan.
Waterkwaliteit Het beheer van de waterkwaliteit is in het moerassysteem belangrijk in functie van het behoud van oever- en waterplanten, maar ook voor het bekomen of behouden van een gezonde vispopulatie als voedsel voor reigers. Daarbij moet men vooral streven naar een vispopulatie met een jonge leeftijdsstructuur. Het uitzetten van vis is een optie, maar dat moet steeds gebeuren in het kader van een geïntegreerd herstelplan voor een volledig moeras- of vijvergebied. Het beheer kan gebeuren door het instromende water te zuiveren of door nutriëntenaanvoer vanuit nabijgelegen landbouwgronden te vermijden. Bij intensief aanpalend landgebruik kan het aanleggen van een buffer (bijvoorbeeld een dijk of strook met wilgen) tussen een rietveld en landbouwgebied zinvol zijn. Een maatregel die geleidelijke overgangen van moeras naar open water kan bevorderen, is het graven van greppels en kuilen met zacht hellende randen binnen grote rietmassieven. Die maatregel bevordert ook de kolonisatie van het rietveld door vissen.

Habitat: foerageerhabitat

Voor de grotere soorten die voor een foerageerplaats afhankelijk zijn van het omgevende landschap, is het belangrijk dat er een voldoende grote oppervlakte aan geschikte terreinen aanwezig is, die bovendien van een goede kwaliteit is. Voor de reigerachtigen is zuiver water (het liefst licht eutroof) ideaal. De lepelaar prefereert ondiep water dat zwakstromend mag zijn of enige invloed van het getij ondervindt. De soort foerageert graag in slotenrijke landschappen, waarbij de breedte van de waterloop 2-5 meter bedraagt en waarbij ondiepe zones van 10-30 centimeter afwisselen met diepere delen tot 2 meter. De kwak foerageert graag langs waterlopen met veel struikvegetaties van waarop er gejaagd wordt. Het woudaapje foerageert in riet of struikgewas in ondiep water, het porseleinhoen in grote zeggenvegetaties en slikrandjes langs het water of in natte graslanden en de blauwborst in open plekken tussen riet- of ruigere vegetatie en langs modderstroken bij de oever. Die zangvogel zoekt ook dikwijls voedsel in aanliggend akkerland, met name in de smalle rietstroken in landbouwgebied. De bruine kiekendief foerageert in Vlaanderen hoofdzakelijk in intensief, open landbouwgebied met voldoende voedselaanbod. Om het rietmoeras te beschermen tegen negatieve, externe invloeden en het voedselaanbod te verhogen, kan men begroeide zomen en vluchtstroken creëren zoals kruidenrijke akkerranden en grasstroken doorheen het open landbouwgebied of op de grens tussen rietland en landbouwgebied. Die stroken moeten minstens enkele meters breed zijn en mogen niet bemest of besproeid worden met pesticiden. De soort jaagt over grasstroken langs dijken, over meerjarige graszaadakkers, graanvelden en open teelten, waarbij vooral muizen en kleine zangvogels als prooi dienen. Vaak broeden bruine kiekendieven ook in de teelten zelf, in de omgeving van de moerasgebieden. Daarbij lopen ze het gevaar om vroegtijdig uitgemaaid te worden. Effectieve bescherming kan men enkel bieden door dergelijke nesten tijdig op te sporen en ze te voorzien van een niet te maaien bufferzone (een ruit met zijden van 8-10 meter rond het nest). De noodzakelijke landschapskwaliteiten kunnen uiteraard enkel bereikt of behouden worden door afspraken te maken met plaatselijke of regionale diensten of autoriteiten die bevoegd zijn voor de landinrichting en het beheer van waterpeilen, -kwaliteit en veiligheid op een niveau dat het beheer van een enkel moerasgebied overstijgt. Men dient erover te waken dat de externe regelingen daaromtrent het lokale beheer van de individuele gebieden niet hypothekeren. Het is dus nodig de beheerders van die gebieden zoveel mogelijk bij het overleg te betrekken.

Habitat: broedhabitat

De broedhabitat van alle moerassoorten verschilt vooral in de noodzakelijke oppervlakte, de kwaliteit en de diepte van de rietvegetatie en de mate van verbossing binnen de successiereeks van open water naar moerasbos. Binnen die successiereeks maken de vogels verschillend gebruik van waterriet, ruigere rietvegetaties, ondiepe zeggevelden, drogere oeverzones en moerasbos. De kwak maakt een nest in moerasbos met onder andere zwarte els en wilgensoorten in de nabijheid van het water, terwijl de andere soorten voornamelijk grondbroeders in het riet zijn. Grondbroeders zijn kwetsbaarder voor grondpredatoren. In het Midden-Limburgse vijvergebied heeft men goede ervaringen met broedeilanden. Dat zijn rietzones die omgeven zijn door voldoende diep water, wat de kans op predatie sterk verkleint. De roerdomp, lepelaar, bruine kiekendief en het woudaapje broeden vooral in uitgestrekte, natte rietvelden afgewisseld met waterstroken en verspreide bomen of struiken. De vegetatiestructuur die de soorten verkiezen, bestaat uit dicht rietland met een waterrietzone (waarbij zowel overjarig als jong riet voorkomt), al dan niet gemengd met lisdodde. Er wordt meestal gebroed op een oude pollenstructuur of op plaatsen waar er een natuurlijke ophoping van oude stengels heeft plaatsgevonden (riet, zeggen) en een soort platform is ontstaan. Het nest kan tientallen centimeters boven het waterpeil gebouwd worden. Een vegetatiehoogte van 50 centimeter tot 2 à 2,5 meter is meestal voldoende, maar de dichtheid van het riet waarin gebroed wordt, varieert sterk. In een geschikte omgeving, in grotere plassen met een geringe diepte (minder dan 50 centimeter) en weinig waterplanten, kan men voor de lepelaar alternatieve broedplekken creëren door eilandjes aan te leggen met een ruigere vegetatie. Een soort platform van opeengestapelde takken kan daarvoor als basis dienen. Het porseleinhoen komt voor in zones met voldoende oud riet, maar verkiest vooral moerasvegetaties met grote zeggen en kruidige, natte hooilanden palend aan moerasgebieden. De hoogte van deze vegetaties varieert van 50 centimeter tot 1 meter. Als nestplaats worden vaak ondiepe moeraszones (tot 20 centimeter) gebruikt. Zo komt het porseleinhoen vaak tot broeden na de overstroming van graslanden in de vroege lente. De blauwborst is minder kieskeurig. Hij broedt in riet (met een hoogte van 0,5 tot 2 meter) in grote rietvelden, maar ook in kleinere rietstroken, ruig riet en in drogere randzones van het moeras, waar struiken verspreid voorkomen en als zangpost worden gebruikt. Voor alle soorten, maar in mindere mate voor de blauwborst, is een stabiel waterpeil tijdens het broedseizoen belangrijk.

Beheer: maai- en kapbeheer in moeraszones

Maai- en kapbeheer spelen een belangrijke rol binnen moerasgebieden omdat het de leeftijdsopbouw van moerasvegetaties gunstig kan beïnvloeden. Dat is zeker zo in uitgestrekte(re) rietvelden. Om een goed maaibeheer mogelijk te maken is het in de eerste plaats nodig een stabiel waterpeil in te stellen, dat voorziet in zones van 20-30 centimeter diep in de overgang van water naar rietland. Door in het najaar of in de winter een aangepast rotatiemaaibeheer (zie ook Deel I: Habitats) uit te voeren, kan zich in pas gemaaide zones opnieuw jong en krachtig riet ontwikkelen. Daarbij is het aan te raden om het terrein onder te verdelen in stroken of percelen (in de richting van land naar open water). Die worden dan in een meerjarige rotatiecyclus gemaaid, waarbij minstens dertig procent van het rietveld ongemaaid blijft, maximum twintig procent jaarlijks wordt gemaaid en de rest om de vijf à zeven jaar. Dat zijn algemene richtcijfers. Ideaal is maaien op het ijs, omdat het terrein dan goed toegankelijk is. Minder gunstig is het tijdelijk en kortstondig verlagen van het waterpeil, waardoor men kan maaien van op de grond. Er is modern materiaal beschikbaar om moeilijk bereikbare en/of toegankelijke rietlanden toch te kunnen maaien (rijplaten, maaien van op het water.). Maaien in stroken zorgt voor een afwisseling tussen oud en nieuw riet en kan toegepast worden in rietkragen van slotensystemen of in kleinere waterplassen waar de oppervlakte riet veel kleiner is, maar waarin frequent gebroed wordt door de blauwborst. Op dezelfde manier kunnen ook drogere, ruigere delen beheerd worden (voor het broeden) en andere delen intensiever gemaaid worden, waardoor delen van de oever onbegroeid blijven (voor het foerageren). Voor het porseleinhoen is het belangrijk dat er jonge verlandingsvegetaties kunnen ontstaan. Soms is frequenter maaien daarvoor noodzakelijk. Indien het moeras paalt aan natte hooilanden met kruidige vegetaties, worden die het best pas na 15 juli gemaaid. Het maaien gebeurt van het centrum van het perceel naar de perceelsranden, met een lage snelheid, om dieren de kans te geven te ontsnappen. Op langere termijn is het ook nodig verbossing tegen te gaan door wilgen en andere struiken in moerasvegetaties (rietvelden) te kappen. Daarbij moet men ervoor zorgen dat er geen tredschade aan het rietland optreedt, want dat biedt nieuwe kiemkansen voor bomen en struiken. Bovendien kunnen losse twijgen van wilgen, die in de grond getrapt worden of achterblijven, gemakkelijk kiemen en een nieuwe vestiging opleveren. Bij initiële vestiging is snel ingrijpen de boodschap. Een massale vestiging van bomen en struiken duidt op verdroging van rietlanden. Stabiele en voldoende hoge waterpeilen verhinderen de vestiging van houtige soorten in rietmoerassen. Bij broedende kwakken in het gebied moet men echter wel voldoende moerasbos behouden.