Klimaatadaptiefbeheer in graslanden

Het maaien van graslanden moeten we afstemmen op de groei en bloei van soorten. Vaste maaidata werken niet goed meer.

Een klimaatadaptief natuurbeheer moet volgens ons op de eerst plaats inzetten op het milderen van de actueel heersende drukken.

  • Verlies en fragmentatie van natuurlijke biotopen is een zeer relevante druk in een Vlaamse context. Halfnatuurlijke graslanden zijn bijzonder versnippert. Vergroten en verbinden vormt wellicht de meest duurzame buffer tegen de gevolgen van klimaatverandering, omdat dit zowel lokale populaties versterkt als klimaatgerelateerde bewegingen van soorten mogelijk maakt.
  • De meest relevante klimaatfactoren voor graslandvegetaties, nl. langdurige droogtes en overstroming, zijn sterk gelinkt aan een verstoorde waterhuishouding waarbij het water nu te snel wordt afgevoerd. Een degelijke aanpak van de waterhuishouding is cruciaal in een klimaatadaptief natuurbeheer, zelfs al kan de beheerder daar zelf weinig aan doen. Daarbij is het cruciaal in te zetten op het drie- of vijftrapsprincipe van het integraal waterbeheer (water besparen, vasthouden, bergen, aanpassen en afvoeren).
  • Het aanpakken van andere heersende drukken zoals verzuring en vermesting is uiteraard ook relevant, omdat die drukken de impact van klimaatdruk op soorten vaak versterken.

Naast de oorzaak van de verhoogde kwetsbaarheid weg te werken, kunnen er ook op kleinere schaal aanpassingen doorgevoerd waardoor de klimaatkwetsbaarheid van gebieden verkleint.
Door drie aspecten van het graslandbeheer aan te passen, kan een deel van de klimaatdruk opgevangen worden.

  • Maaibeheer moet vooral flexibeler worden doorgevoerd om rekening te houden met het tragere weersysteem. De beheerder focust daarbij best niet langer op maaidata, maar op de fenologie van graslanden en doelsoorten. De eerste maaibeurt zal meestal vroeger moeten gebeuren, de laatste later op het jaar. Om risico’s van extreme weersomstandigheden op zowel hoge vegetatie als pas gemaaide graslanden te verminderen, wordt best overgegaan naar een systeem van gefaseerd maaien. Een sinusbeheer lijkt daarbij veelbelovend, maar is wel complexer te organiseren.
  • Ook bij begrazing zal de flexibiliteit met de grazers moeten verhogen. Er moet rekening gehouden worden met de kans dat de grazers tijdelijk zullen moeten uitwijken bij extreme droogte of overstromingen. Begrazing zal eerder op het seizoen kunnen starten en kan vaak langer in het najaar doorgaan. Er is extra aandacht nodig voor het welzijn van de dieren. Denk aan schaduw, voldoende water, toxische algenbloei, nieuw opduikende ziektes,…
  • Het beheer van houtige kleine landschapselementen (KLE’s) moet herbekeken worden, zowel vanuit het de impact van het klimaat op de KLE’s als de impact van KLE’s op het microklimaat. Stormschade- of droogtegevoelige soorten krijgen het ongetwijfeld lastig en worden best gemeden als aan te planten boomsoort. Houtige elementen zorgen voor schaduw en aanrijking met organisch materiaal, waardoor ze lokaal kunnen bufferen tegen hitte en droogte. Het aanleggen van KLE’s met aangepaste soorten wordt daarom naar voor geschoven als relevante, kleinschalige klimaatadaptieve maatregel, zo lang dit compatibel is met cultuurhistorische waarden en doelsoorten van open habitats.

Klimaatadaptief natuurbeheer, het landschap van graslanden.

Deze studie gaat na wat een beheerder in graslanden kan doen om de effecten van klimaatverandering beter op te vangen.

PDF-pictogram Download (3.85 MB)