Kenmerken en factoren van moeras

Kenmerken van moerassen

Moerassen zijn vegetaties op zeer vochtige bodem. Een vis kan er niet zwemmen maar een koe kan er niet lopen wordt wel eens gezegd. Moerassen en venen worden bij natuurstreefbeelden samengenomen, en er valt wel iets voor te zeggen. Het zijn beide erg vochtige ecotopen, waarbij venen vooral in zuurdere omstandigheden te vinden zijn. Met name veenmos is daarbij een sleutelsoortgroep. Door de hoge grondwatertafel, die tijdelijk of langdurig boven het maaiveld komt, blijft dit type dikwijls van verdere successie gespaard. Verbossing is moeilijk omdat boomzaden niet kunnen kiemen, verruiging kan eventueel wel door inlaat van fosfaatrijk water, maar dan nog blijft het moeras. Daaruit volgt dat de voornaamste bedreiging van moerassen verdroging is. Door verdroging gaat een moeras permanent veranderen in een bos, ruigte of grasland. Voor het beheer van moerassen is een kennis van ecohydrologie vereist. Bekijk daarom eventueel nog eens het traject van de basisopleiding als je tijd vindt.

Ecohydrologie is de wetenschap die de relatie tussen water en ecosystemen bestudeert, alsook de invloed van en op de mens. Dat water is grondwater, regenwater en opper...

De te kennen types voor het examen staan hieronder opgelijst. We zullen er een aantal bekijken tijdens de excursie. Ik beschrijf ze hieronder heel erg kort, maar zo heb je al een idee van hoe ze in grote lijnen van elkaar verschillen. Wil je meer informatie, dan kan je nog de cursustekst lezen of de fiches van de vegetatietypes bezoeken.

  • oligotroof en zuur overgangsveen (natura 2000) en mineraalarm overgangsveen (natura 2000) zijn actieve verlandingsvegetaties. Waar oeverplanten en mossen matten beginnen vormen die ofwel op het wateroppervlak groeien dan wel vanop de bodem de waterkolom helemaal vullen, verdwijnt het open water. Er is actieve veenvorming (veenmossen en afgestorven planten vormen een onverteerde dikke laag veen) en de vegetatie staat steeds onder invloed van water van enerzijds neerslagwater en anderzijds grond- en/of oppervlaktewater. Met ‘overgangsmilieu’ wordt bedoeld dat de venen zich situeren tussen water- en landgemeenschappen of tussen hoog- en laagveen.
  • grote zeggevegetaties (rbb) zijn dichte, laagblijvende en eerder soortenarme vegetaties, gedomineerd door één of meerdere grote zeggensoorten zoals Scherpe zegge, Oeverzegge en Moeraszegge. Grote zeggenvegetaties zijn hoogproductief en vaak is er dan ook een dikke strooisellaag aanwezig.
  • kleine zeggevegetatie (rbb)  zijn moerassystemen, vrij arm aan voedingsstoffen. Het zijn meestal vrij gesloten vegetaties met een relatief soortenrijke kruidlaag met bijvoorbeeld Wateraardbei
  • rietland (rbb) betreft vaak homogene rietvegetaties in of nabij waterlichamen. We treffen ze aan in relatief ondiepe delen van vijvers, plassen en grachten. Behalve Riet kunnen ook soorten als Grote lisdodde, Liesgras of Rietgras de vegetatie domineren. Uniforme soortenarme vegetaties van Liesgras of Rietgras zijn zwak ontwikkelde types en behoren niet tot dit natuurstreefbeeld.

Test je kennis van de natuurstreefbeelden moerassen.

Hoe goed ken je je cursus? Doe de test. Als je niet op alle vragen kan antwoorden, neem dan de cursus zeker nog eens door. In de les beginnen we meteen met oefeningen.