Ecoprofiel Broedvogels van natte graslanden II

Habitats

Broed- en foerageerhabitats moeten in een mozaïek naast en door elkaar voorkomen. De belangrijkste mozaïeken zijn die van graslanden met laantjes, sloten, (ondiepe) waterplassen en eilanden. Voor de kleine zilverreiger wordt dat aangevuld met een bos(je) als broedplek.

Graslanden

Het broedseizoen loopt van februari, wanneer potentiële broedgebieden voor het eerst bezocht worden, tot eind juli, wanneer de laatste jongen vliegvlug worden. Bij de aanvang van het broedseizoen is de openheid van het gebied zeer belangrijk. De graslanden moeten dan na de beheerwerken in de vorige zomer- en winterperiode volledig kort staan. Naarmate het broedseizoen vordert, groeit ook de vegetatie. Het is nodig om de eerste beheeractiviteiten laat in het seizoen aan te vatten. Doorgaans wordt 15 juni aanzien als een voor weidevogels aanvaardbare datum om bijvoorbeeld de eerste maaiwerkzaamheden uit te voeren of het vee in te scharen, maar er moet eerst een terreincontrole uitgevoerd worden. Er kunnen in het gebied ook laatbroedende soorten aanwezig zijn zoals de kluut, kwartelkoning, kuifeend en visdief. Percelen die in de rand wat ruiger zijn door bijvoorbeeld de aanwezigheid van rietkragen, zullen heel wat broedende zangvogels aantrekken zoals de blauwborst, rietgors, rietzanger en kleine karekiet. Die soorten zijn tot eind juli bezig met hun broedproces.
Het is daarom van belang de aanwezigheid van rietkragen en andere moerassige vegetaties te voorzien in andere zones, zodat de voor steltlopers nodige beheerwerken in het kerngebied geen nefast effect hebben op die andere broedvogels. Daarvoor is (na)begrazing, in een verhoogde veedichtheid, een effectieve beheermaatregel, op voorwaarde dat de perceelsranden voor het vee bereikbaar zijn. Dat kan bijvoorbeeld door met minder rasters te werken, die bovendien buiten de perceelsranden staan, zodat het riet voor het vee bereikbaar is. Inscharingsdata voor of tijdens de nestfase van grondbroeders worden afgeraden, zelfs met lage veedichtheden. Hou er ook rekening mee dat jonge runderen graag door water waden en zo eilanden betreden waar vrij laat in het seizoen (jaarlijks tot half juli, soms later) nog kolonies van broedvogels aanwezig kunnen zijn. In dat geval kan men een aangepaste inscharingsdatum of afrastering van een deelgebied overwegen.