Dieren van vegetatierijke plassen

Onder ‘vegetatierijke plassen’ verstaan we plassen waarin waterplanten een groot deel van de bodem bedekken, maar niettemin slechts een beperkt deel van de waterlaag innemen. Zowel in het water als op de oever is er veel afwisseling in vegetatiestructuur aanwezig. Dergelijke zoetwaterplassen vindt men in zowel open als gesloten, (half)natuurlijke landschappen, op plaatsen waar neerslag samen met mineraalrijker grond- en/of oppervlaktewater voor een (semi)permanente aanwezigheid van stilstaand water zorgt. Doorgaans worden ze omgeven door natte biotopen, zoals moerasbos, zeggen- of rietmoeras en vochtig grasland. Sommige hebben een (half)natuurlijke oorsprong, zoals afgesneden riviermeanders, maar vaak gaat het om kunstmatige plassen, gevormd door ontginning van grondstoffen of aangelegd voor de meest uiteenlopende doeleinden.
 

 

Vegetatierijke plassen hebben een hoge biodiversiteit met tal van diergroepen, waarbij de vissen en weekdieren van dit ecoprofiel hun volledige levenscyclus in het water doorbrengen, terwijl libellen in het volwassen stadium de omliggende landhabitat gebruiken. Pas uitgeslopen libellen verlaten de omgeving van het water en zoeken een geschikte plek om te rijpen en om voedsel te zoeken. De landbiotoop van libellen bestaat uit warme, zonnige en structuurrijke vegetaties zoals bosranden, structuurrijke ruigtes en soortenrijke graslanden. Mannetjes van libellen verblijven doorgaans één tot drie weken in hun landbiotoop, de periode die nodig is om volledig uit te kleuren en geslachtsrijp te worden. De wijfjes verblijven het grootste deel van hun tijd in de landbiotoop en keren pas terug naar het water om te paren en eitjes af te leggen. De dodaars foerageert op het open water, maar houdt zich ook op in de beschutting van rietgordels en andere, nabij de oever gelegen, dichte vegetatie, waarin ook het nest gemaakt wordt. Libellen en vogels kunnen door hun vliegvermogen gemakkelijk migreren naar andere geschikte plaatsen. Vissen en slakken zijn voor de kolonisatie afhankelijk van een (tijdelijke) verbinding met andere wateren of worden als eitjes, larven of volwassen dieren verspreid door vogels en mensen. De meeste soorten van dit ecoprofiel zijn op de een af andere manier vrij mobiel. Indien soorten zich minder gemakkelijk verspreiden, is de mate van ecologische verbinding met andere geschikte wateren belangrijker, zodat genetische uitwisseling tussen (deel)populaties kan plaatsvinden en tijdelijk ongeschikte omstandigheden op landschapsniveau geen nefaste gevolgen hebben.

Kwaliteit van het landschap

Een verscheidenheid aan watertypen en de nabijheid van andere waterpartijen leiden tot een meer diverse watergebonden fauna. Door de afwisseling in vorm, diepte, bodem, waterhuishouding en successie zijn veel (verschillende) niches in elkaars nabijheid aanwezig. Daardoor kunnen soorten zich gemakkelijker verspreiden en op elk moment de meest optimale omstandigheden vinden, ook indien een habitatplaats tijdelijk ongeschikt wordt. Op die manier blijven populaties voldoende groot en robuust. Soorten die andere biotopen enkel via het water kunnen koloniseren, zijn afhankelijk van de aanwezigheid van dergelijke verbindingen tussen habitatplaatsen. Die verbindingen moeten ook voldoende geschikt zijn om verplaatsingen toe te laten. Voorheen bevorderden jaarlijks terugkerende overstromingen de dispersie in alluviale gebieden en speelden ze voor sommige soorten, zoals de snoek, een vrij essentiële rol omdat er in overstroomde zones een tijdelijke ‘kraamhabitat’ ontstond, waarin jonge vissen veilig konden opgroeien. Die functie is heden erg beperkt en waar overstromingen nog wel gebeuren, is dat omwille van een slechte waterkwaliteit vaker een vloek dan een zegen. De mate waarin licht en voedingsstoffen beschikbaar zijn, is doorslaggevend voor de aanwezigheid van voldoende waterplanten. In veel gevallen is er sprake van eutrofiëring en vertroebeling van het water door algen en andere zwevende deeltjes, als gevolg van een te grote aanvoer van voedingsstoffen, vooral fosfor, via grond- of oppervlaktewater (beken). In voedselarme wateren kan ook atmosferische depositie een relatief belangrijke bijdrage leveren aan stikstof, eveneens een belangrijke voedingsstof. Bij diffuse aanvoer liggen de mogelijke maatregelen dikwijls buiten het bereik van de gebiedsbeheerder. Toch is dat een zeer belangrijk aandachtspunt aangezien het de habitatkwaliteit in doorslaggevende mate bepaalt. Bij puntbronnen zijn er in bepaalde gevallen mogelijkheden voor het toepassen van een kleinschalige zuivering die de verontreiniging beperkt.

Kwaliteit van het leefgebied

Ook binnen de grenzen van een gebied kan het best gestreefd worden naar een differentiatie van watertypen. Plassen kunnen daarom het best verschillen in grootte en diepte, zodat zowel permanente als tijdelijke wateren ontstaan, elk met hun eigen levensgemeenschap. Ook het beheer kan het best gedifferentieerd worden, zodat in het gebied steeds voldoende geschikte omstandigheden aanwezig blijven, van ’jonge’ tot al meer verlande watersystemen. Daarvoor wordt een cyclisch beheer toegepast, waarbij plassen niet gelijktijdig maar gespreid in de tijd worden beheerd of hersteld. Bij grootschalige herstelprojecten kan het nodig zijn om voldoende waterlichamen onaangeroerd te laten en zo relictpopulaties maximaal te sparen. Indien een goede waterkwaliteit niet verzekerd kan worden door maatregelen van buiten het gebied, kan men in laatste instantie overwegen om oppervlaktewater in het gebied zelf voor te zuiveren tot de situatie verbeterd is. Dat kan enkel indien er ruimte en middelen voor opvolging en onderhoud beschikbaar zijn. Daartoe kunnen bekkens aangelegd worden met waterplanten die water zuiveren en/of waarin slibdeeltjes kunnen bezinken voor het water in de plas komt. Ook chemische waterbehandeling is in dergelijke bekkens mogelijk.

Water- en oeverhabitat

Plassen met voldoende ondergedoken vegetatie, drijfbladplanten en boven het water uitstekende planten laten alle soorten van dit ecoprofiel toe om het watergebonden deel van hun levenscyclus te voltooien. Ondergedoken vegetatie is daarbij belangrijk voor de afzet van eieren, als voedsel(substraat), habitat voor prooien en bescherming tegen predatoren. Daarnaast bevorderen en bufferen waterplanten de waterkwaliteit (bijvoorbeeld op het vlak van zuurstof, helderheid …). Libellen brengen het grootste deel van hun bestaan (vaak meerdere jaren) in het water door als larve tussen de waterplanten. Wanneer de larven volgroeid zijn, kruipen ze uit het water om uit te sluipen. Hoewel de meeste soorten uitsluipen op planten die boven het water uitsteken (bijvoorbeeld de gevlekte witsnuitlibel en vroege glazenmaker), verkiezen andere de oevervegetatie of bomen en struiken in de onmiddellijke buurt van het water. De platte schijfhoren vertoont een sterke voorkeur voor wateren met een veenbodem en komt vooral voor in sloten. Ze mijdt droogvallende wateren. De vindplaatsen zijn vaak ondiep en niet beschaduwd. Wateren met een kroosdek, eveneens een teken van een teveel aan voedingstoffen, zijn ongeschikt voor deze soort en voor de meeste libellen. Voor de platte schijfhoren is een gefaseerd beheer van de sloten zeer belangrijk. Bij brede sloten kan elke zijde van de waterloop om beurten worden geruimd, bij smalle sloten kan men ervoor opteren om zones niet te ruimen. De bittervoorn komt voor in allerlei wateren. De aanwezigheid van zoetwatermossels is echter onmisbaar voor de voortplanting. Daarbij worden de eieren afgelegd in zwanenmossels, vijvermossels en stroommossels, waarbij de grootte van de mossels geen rol speelt. Mannelijke bittervoorns hebben een territorium van 4 tot 10 vierkante meter. Het beheer van de bittervoorn moet dus rekening houden met de aanwezigheid van voldoende aantallen zoetwatermossels. In tegenstelling tot de vissen zelf, overleven die het droogleggen van een vijver goed, zolang de bodem niet volledig uitdroogt. Voorzichtigheidshalve kunnen de aanwezige mossels worden ingezameld en in het resterende water of tijdelijk elders worden ondergebracht. Dat kan ook gedaan worden bij slibruiming. Ratten (onder andere muskusratten) leggen zich soms toe op een dieet van zoetwatermosselen, vooral in het winterhalfjaar. Daarbij duiken ze de mossels op en brengen ze aan land, om ze open te knagen en op te eten. Bij drooglegging of slibruiming dient men de herkolonisatie door bittervoorns mogelijk te maken. De dodaars voedt zich met allerlei grote waterinsecten, slakken en kleine visjes. De soort heeft een duidelijke voorkeur voor rijk begroeide, kleine tot middelgrote wateren. Het zijn erg territoriale dieren, die broeden op een drijvend nest, vaak verscholen in dichte vegetatie. De broedtijd loopt tot laat in het seizoen, waarbij ouderparen met jongen tot half oktober bij het nest kunnen worden aangetroffen. Daarmee moet men rekening houden bij het maaien van de oevervegetatie en een eventuele verstoring door menselijke aanwezigheid. Geoorde futen broeden ook in oevervegetaties, hoewel die eerder ijl mogen zijn. Ze komen ook tot broeden in minder vegetatierijke plassen zoals vennen (zie ecoprofiel 16). De Kempense heidelibel is een buitenbeentje in dit ecoprofiel, omdat ze net gebonden is aan moerassen, verlandingszones van plassen en vijvers die tijdelijk of gedeeltelijk droogvallen. De soort heeft zich in West-Europa aangepast aan het extensieve visvijverbeheer, waarbij vijvers na verloop van enkele jaren worden drooggelegd. Dat laatste vindt het best plaats vanaf eind augustus, nadat alle larven van de Kempense heidelibel zijn uitgeslopen. De visvijver blijft daarna de hele winter droogstaan, tot er in maart/april opnieuw water wordt opgelaten. De eitjes van de Kempische heidelibel die in het najaar gelegd werden, zijn aangepast aan winterse droogte. Pas in het voorjaar sluipt er een larve uit het eitje. In het ondiepe en snel opwarmende water verloopt de ontwikkeling van de larven snel. Het winters droogleggen gedurende verschillende maanden zorgt ervoor dat vissen niet kunnen overleven en dat er ook meer competitieve libellensoorten, zoals de grote keizerlibel, ontbreken. De achteruitgang van de Kempense heidelibel is in Vlaanderen wellicht te wijten aan het gewijzigde beheer van dergelijke vijvers en aan veranderingen in de moerassige oeverzones. Niet alleen de permanente aanwezigheid van vis is nefast, maar er ontwikkelde zich op diverse vindplaatsen ook een te dichte rietvegetatie. In het verleden werd die regelmatig gemaaid of verwijderd. Hoewel de volledige levenscyclus van de Kempense heidelibel zich op een heel beperkte oppervlakte kan voltrekken, kunnen populaties zich enkel duurzaam in stand houden als er voldoende waterpartijen in een groter gebied voorhanden zijn, die afwisselend kunnen droogvallen. Extensieve begrazing kan belangrijk zijn om een te snelle verlanding van plassen tegen te gaan en een meer gevarieerde overgang tussen water- en landhabitat te ontwikkelen. Om een geleidelijke overgang tussen water en land, met een gevarieerde begroeiing te bekomen, wordt een zo breed mogelijke zone met een hellingsgraad van minder dan twaalf graden als ideaal beschouwd. Die zone zal bij voorkeur wat onregelmatigheden vertonen, zoals bultjes, slenken en droogvallend slik
 Om in de geleidelijke overgang tussen water en land een gevarieerde begroeiing te bekomen richt men die zone het best zo breed mogelijk in, waarbij men bulten en slenken toelaat. Om te voorkomen dat ondergedoken waterplanten verdwijnen, is het belangrijk een te grote aanvoer van voedingsstoffen te vermijden. Doorgaans leidt die eutrofiëring eerst tot een zeer uitbundige plantengroei, uiteindelijk gevolgd door een plotse afname van zodra het water troebel wordt door de sterke ontwikkeling van algen. Niet alle plassen zijn daarvoor even gevoelig en veel hangt af van plaatselijke omstandigheden, maar alles wat de interne beschikbaarheid van voedingsstoffen verhoogt, de helderheid van het water vermindert of de vegetatie sterk onder druk zet (bijvoorbeeld begrazing door watervogels, of aanwezigheid van de graskarper), kan het verdwijnen van de ondergedoken vegetatie veroorzaken. De beschikbaarheid van voedingsstoffen in de waterkolom wordt evenwel niet enkel bepaald door de hoeveelheid die wordt aangevoerd. Ook in het slib op de bodem van de plas zijn veel nutriënten aanwezig. Afhankelijk van de omstandigheden kunnen die in meer of mindere mate aan de waterkolom worden afgegeven. Dat is nog meer het geval als het slib wordt opgewarreld door de wind, door veel watervogels maar ook door bodemwoelende vissen, zoals de karper en brasem. Om dat enigszins te kunnen tegengaan, kunnen diepe delen voorzien worden waarin het slib niet onderhevig is aan de windwerking  Een evenwichtig visbestand, zowel in dichtheid als in soortensamenstelling, bepaalt in sterke mate of een waterhabitat geschikt is voor de soorten van dit ecoprofiel. De afwezigheid of lage dichtheden van karperachtigen en jonge vis bevordert de aanwezigheid van zoöplankton en kan de bloei van fytoplankton (‘groene soep’) onderdrukken, wat de kans op helder water met waterplanten doet toenemen. Bij visdichtheden vanaf 100 kilogram per hectare zijn er al negatieve effecten waargenomen. Bij meer dan 300 kilogram per hectare wordt de kans dat de waterkwaliteit beïnvloed wordt, aanzienlijk. De aanwezigheid van de graskarper, een strikte herbivoor, is nefast voor waterplanten en moet daarom vermeden worden. Na afvissing kan men de herkolonisatie met een onevenwichtig visbestand voorkomen door het uitzetten van jonge snoek . Ingrijpende maatregelen zoals slibverwijdering of afvissing, waarbij de plas tijdelijk wordt drooggelegd, moeten vooraf grondig doordacht worden. Dergelijke maatregelen kunnen leiden tot het sterven of verdwijnen van soorten van het ecoprofiel en hun habitat. Daarom is het belangrijk om ze in het gebied te spreiden in de tijd, zodat er steeds uitwijkmogelijkheden aanwezig blijven. Wanneer de achteruitgang van het watersysteem al zover gevorderd is dat er ingrijpende maatregelen nodig zijn om de toekomst van (bepaalde) soorten te verzekeren, moeten milderende maatregelen getroffen worden. Dat kan door bijvoorbeeld de periode van droogleggen zo kort mogelijk te houden, zodat larven kunnen overleven in de bodem of achtergebleven plasjes. Droogleggen gebeurt het best in het vroege najaar (september-oktober), zodat de larven niet bevriezen (winter) of uitdrogen (zomer). Bij slibruiming worden er kleine zones gevrijwaard, zodat relictpopulaties niet mee op de schop gaan en er herkolonisatie kan optreden. Daarbij kan men ervoor kiezen om één of meerdere stroken van enkele meters breed onaangeroerd te laten, vanaf de oever met oevervegetatie tot in het open water. Om het doel van de maatregel niet te hypothekeren, moet de hoeveelheid achterblijvend slib echter zo klein mogelijk gehouden worden. Bij geïsoleerde plassen kan men desnoods overwegen om de slibruiming te spreiden over verschillende jaren. Daarbij wordt de plas tijdelijk in twee gedeeld door een dijkje, zodat het mogelijk wordt om de beide helften op een ander tijdstip leeg te laten en het slib te ruimen. Die methode van werken verhoogt de kans op het behoud van een populatie, maar is complex en duurder. Door een sterke verlanding van het water en opslag van struiken en bomen rond en in de plas, komt de verscheidenheid van de vegetatie uiteindelijk in het gedrang. Naast het feit dat afgevallen bladeren grote delen van de bodem gaan bedekken en voor minder zuurstof en meer voedingsstoffen in het water zorgen, beperkt dat de lichtinval nabij de oever. Te sterke beschaduwing van het water wordt het best vermeden, maar enige struik- en boomgroei zorgt in de oeverzone voor een betere vegetatiestructuur. De vroege glazenmaker is bijvoorbeeld een warmteminnende soort, die beschaduwde locaties mijdt. Daarin verschilt ze met de glassnijder, die gelijkaardige habitats verkiest, maar meer beschaduwing verdraagt. De oeverzone kan men beheren door struweel en bomen en/of begrazing gefaseerd te kappen. Het maaien van de eerste meter vegetatie langs de oever moet uitgesteld worden tot half september, wanneer de uitsluipperiode van libellen voorbij is.

Het landhabitat

In de omgeving van plassen is het wenselijk om te voorzien in veel variatie aan structuurrijke habitats, gaande van graslanden en ruigtes tot bossen met mantel-zoomvegetaties Een dergelijke begroeiing met geleidelijke overgangen tussen verschillende vegetatietypes kan men bekomen door extensieve begrazing of door tijdelijk geen beheer toe te passen. Bij maaibeheer is het aangewezen om op perceelniveau verschillende maaidata toe te passen. Ruigtes, houtkanten en hagen in de perceelranden kunnen voor de nodige opgaande begroeiing zorgen. Het uitharden en uitkleuren van libellen gebeurt op dergelijke, zonnige, beschutte plekken. Struwelen, bos maar ook zeggenvegetaties en rietvelden worden als slaapplaats gebruikt en dat tot een paar honderd meter ver van het water. Die landhabitat wordt gebruikt vanaf het vroege voorjaar (april) tot in het vroege najaar (september-oktober).