Dieren van structuurrijke, gesloten bossen

Ruimtegebruik van soorten van gesloten bos

De soorten in dit ecoprofiel maken op een verschillende wijze gebruik van het bos. Typische bossoorten (spechten, boomklever, appelvink …) gebruiken het bos niet alleen als broed- of schuilplaats, maar ook voor het zoeken van voedsel. Andere soorten gebruiken het bos vooral als voortplantingsplaats, maar om voedsel te zoeken zijn ze ook (bijvoorbeeld de wespendief) of vooral (bijvoorbeeld de zwarte ooievaar, rode wouw, das) buiten het bos actief. Ook de rode wouw en de zwarte ooievaar zijn twee soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn die thuishoren in dit ecoprofiel, maar het zijn op dit ogenblik twee zeer zeldzame soorten in Vlaanderen. Gesloten bossen zijn tenslotte ook voor heel wat vleermuizen belangrijk om te jagen (Bechsteins vleermuis, vale vleermuis) of zich voort te planten (bosvleermuis, rosse vleermuis, franjestaart…). Het beheer voor vleermuizen wordt apart behandeld.
De oppervlakte van een territorium van de middelste bonte specht is afhankelijk van de kwaliteit van de biotoop en verandert in de loop van het jaar. De kern van het verspreidingsgebied van de middelste bonte specht ligt in Centraal- en Oost- Europa. Daar heeft een koppel gemiddeld genoeg aan 3-10 hectare habitat van goede kwaliteit om te broeden en te overleven.
Voor de bosuil, boomklever en nachtegaal blijken kleine bosjes van enkele hectaren of zelfs parken vaak al voldoende, maar voor het behoud van stabiele populaties is het noodzakelijk dat ze voorkomen in een netwerkverband (metapopulatie).
Voor amfibieën en ongewervelden van bossen zijn nog kleinere habitatvlekken afdoende, al zijn er ook soorten bij die heel strikt aan het typische bosklimaat gebonden zijn (slakken, loopkevers) en daardoor niet in kleine, versnipperde of sterk verstoorde bossen voorkomen.
De zwarte specht heeft dan weer veel grotere territoria nodig. Een broedpaar heeft 200 tot 400 hectare bos nodig, bij voorkeur een combinatie van naaldbos om te foerageren en loofbomen om in te broeden.
De boommarter ten slotte wordt meestal geassocieerd met grote boscomplexen, al toont recent onderzoek aan dat ook territoria van minder dan 100 hectare per vrouwelijk dier mogelijk zijn en dat ook gevarieerdere landschappen met ruigtes, bomenrijen en bosjes worden gebruikt.
Andere soorten uit deze groep, zoals haviken, gebruiken net als wespendieven ook een groot deel van het omringende landschap om voedsel te zoeken, maar broeden in het bos. De rode wouw heeft naast het bos vooral nood aan soortenrijke graslanden. De zwarte ooievaar zoekt zijn voedsel vooral in de natte graslanden van beek- en riviervalleien. Als broedplaats verkiest de soort oude loofbomen met een brede kruin, bij voorkeur op de overgang van plateau naar helling. Beide soorten zijn ook gevoelig voor menselijke verstoring. Die soorten zijn momenteel geen broedvogels in Vlaanderen, maar zijn in de nabije toekomst te verwachten (bijvoorbeeld op de rand van het Kempisch plateau en in de Voerstreek) door verdere toename van de populaties in nabije regio’s (Eiffel, Ardennen).

Vooral voor de soorten die ook of vooral foerageren buiten het bos, is de kwaliteit van de onmiddellijke omgeving en de matrix waarin bossen en bosjes voorkomen, erg belangrijk voor het duurzaam behoud van populaties. Dat geldt echter ook (zij het in mindere mate) voor sommige van de typische bossoorten zoals de wielewaal, glanskop, matkop, middelste bonte specht en appelvink, maar zeker ook voor de boommarter. Die soorten zoeken ook regelmatig voedsel buiten het bos, bijvoorbeeld in tuinen, boomgaarden, kleinschalige graslandlandschappen met houtkanten, bomenrijen of heggen. In de winter komen appelvinken ook af op graanresten van akkers of op voederplekken. Houtsnippen broeden in de vochtige delen van bossen, maar gebruiken voor hun baltsvluchten in de lente en vroege zomer bosranden en open plekken.

Voor de echte bossoorten lopen de vereiste, individuele territoriumgroottes sterk uiteen. Bossen van kleiner dan 10 hectare zijn vaak al te klein om de ruimtebehoevende soorten (zoals de zwarte specht en roofvogels) permanent te vestigen. Voor soorten met kleinere territoria zijn dergelijke, sterk versnipperde bossen wel geschikt, maar ze geven vaak een lager broedsucces omdat daar grotere risico’s blijken te bestaan op predatie. Voor duurzame populaties van soorten zijn grotere oppervlaktes vereist: bossen van vele tientallen hectaren of, als alternatief, kleinere bossen die een functioneel netwerk vormen. Hoewel vogels zeer mobiel zijn, zullen sommige soorten (zoals de boomklever, fluiter en glanskop) zich zelden verplaatsen naar andere bossen op enkele kilometers afstand en zijn ze dus gevoelig voor een versnippering van de habitat. Voor verstoringsgevoelige soorten is het verder ook van groot belang dat binnen de broedbiotoop voldoende grote, recreatieluwe zones worden voorzien. Ten slotte geven we aan dat de ruimtebehoefte van grote predatoren zoals de lynx, wolf en wilde kat (Bijlage II en/of IV van de Habitatrichtlijn) nog veel groter is. Die soorten hebben zeer grote territoria en vereisen zeer uitgestrekte leefgebieden van enkele duizenden hectaren. Alle drie de soorten zijn ondertussen al occasioneel in ons land waargenomen. Of zij zich permanent kunnen/zullen vestigen, zal mede afhangen van de beschikbaarheid van grote, ruimtelijk goed verbonden leefgebieden met uitgestrekte bossen waarin ze de vereiste rust en voldoende voedsel vinden.