Dieren van grote heide-, duin-, en graslandcomplexen

Grote heide-duin-graslandcomplexen zijn erg zeldzaam in Vlaanderen. Van het uitgestrekte heideareaal dat vanaf de (vroege) middeleeuwen tot in de negentiende eeuw het Vlaamse landschapsbeeld bepaalde, blijft nog maar weinig over. Dat is vooral het gevolg van de grootschalige ontginning en bebossing in de loop van de negentiende en de twintigste eeuw. Wat overblijft, zijn meestal kleine en versnipperde overblijfselen.
Een handvol grote, aaneengesloten heidecomplexen is nog te vinden in de Kempen, in enkele grensregio’s en op en rond grote, militaire oefenterreinen. De uitgesproken link met militaire domeinen is opmerkelijk, maar niet onlogisch. Die veelal uitgestrekte, terreinen werden meestal aangelegd in de eerste helft van de negentiende eeuw, na de onafhankelijkheid van België en bleven zo voor een groot deel gespaard van de latere ontginningen die leidden tot de teloorgang van het heidelandschap.
De instandhouding van de resterende grote heide-duin-graslandlandcomplexen en de kenmerkende soorten die er leven, vereist een aangepast beheer. Met name vergrassing en verbossing zorgen ervoor dat open of schaars begroeide terreinen aan een hoog tempo verloren gaan. De oorzaak van die vegetatieveranderingen moet onder andere gezocht worden in een toegenomen stikstofdepositie vanuit de atmosfeer, verdroging, ongecontroleerde branden en het wegvallen van het traditionele gebruik en beheer van het heidelandschap.

Ruimtegebruik

De soorten van dit ecoprofiel hebben een uitgesproken voorkeur voor uitgestrekte, open tot halfopen, halfnatuurlijke landschappen met een brede waaier aan nutriëntenarme biotooptypen, zoals droge en natte heide, stuifduinen, duingraslanden, heischrale graslanden, voedselarme vennen en (hoog)venen. De gebondenheid aan grote gebieden weerspiegelt enerzijds de relatief grote individuele leefgebieden of territoria van die soorten en de nood aan verschillende hulpbronnen die zich soms in andere delen van het landschap situeren (bijvoorbeeld verschillen in winter- en zomerhabitat, foerageer- en broedhabitat, adult- en kuikenhabitat). Anderzijds zijn die soorten ook gebonden aan heel open tot halfopen landschappen met grote, open ruimtes, iets wat enkel kan gerealiseerd worden in uitgestrekte gebieden. Door het hoge minimumaantal (reproducerende) individuen dat nodig is voor een leefbare populatie, zijn grote, aaneengesloten terreinen noodzakelijkvoor een duurzame instandhouding van de soorten. Grote, open terreinengroeien bovendien ook minder snel dicht dan kleine heide- en duinrestanten ineen bosomgeving. Daardoor blijven specifieke habitatcomponenten en -kenmerken(zoals open zand, uitkijkplaatsen en opwarmingsplekken) er langer aanwezig enmoet er minder intensief beheerd worden. Hoewel de hier besproken soorten samen en in dezelfde grote heidegebieden voorkomen,maken ze deels gebruik van andere terreindelen en verschilt het schaalniveau waarop de soorten actief zijn. Een eerste verschil heeft te maken met de soortgroep. Vogels zijn mobieler en kunnen (sneller) grotere afstanden afleggen dan reptielen,die doorgaans een kleinere actieradius hebben. De wulp, tapuit en roodborsttapuitzijn bovendien trekvogels die de winter in andere streken of buiten de heide doorbrengen. Beide reptielensoorten zijn echter jaarrond aanwezig en hebben naast eenzomerhabitat ook een geschikte winterhabitat nodig. Bij de vogelsoorten wordt het territorium vooral bepaald door de aanwezigheid vaneen geschikte broed- en foerageerhabitat. Zowel bij de tapuit als de roodborsttapuitzijn beide doorgaans nauw met elkaar verweven. In gunstige omstandighedenbedraagt de territoriumgrootte van een broedpaar zo’n 2 tot 5 hectare. In suboptimale omstandigheden zal het territorium beduidend groter moeten zijn om nog voldoende hulpbronnen te herbergen. De tapuit komt voor in de drogere delen van uitgestrekte, open heidelandschappen van 100-1000 hectare. Doorgaans ligt zijn leefgebied eerder centraal in het heidelandschap, niet te dicht bij bosranden. De soort prefereert terreindelen met nauwelijks boomopslag en een zeer lage, schrale begroeiing. De roodborsttapuitkomt ook voor in halfopen landschappen van 25-100 hectare met kleinere,open ruimtes en verkiest terreindelen met dwergstruiken en verspreide boompjes. De soort komt zowel centraal in de heide voor als nabij bosranden.

Voor de wulp kunnen het foerageer- en broedgebied wat verder van elkaar verwijderd en (ten dele) gescheiden liggen. Broeden gebeurt op uiteenlopende plaatsen in de heide; foerageren vaak in de vochtigere terreindelen en ook op voedselrijkere gronden buiten de heide. Het leefgebied van een koppel wulpen is dan ook wat groter dan bij de voorgaande soorten en bedraagt in optimale biotopen 5 tot 25 hectare. In suboptimale omstandigheden kan de grootte van het leefgebied oplopen tot meer dan honderd hectare. Daar waar bij de tapuit en roodborsttapuit adulte en juveniele vogels veelal hetzelfde dieet hebben en in dezelfde habitat foerageren, is dat bij wulpen niet het geval. Volwassen wulpen leven vooral van bodemfauna zoals wormen en larven van allerhande ongewervelden. De jonge kuikens hebben echter (bovengrondse) insecten nodig en de vogels trekken na het uitvliegen dan ook met hun jongen naar de meer insectenrijke, grazige of kruidenrijke plekken in het landschap die op enige afstand van de broedplaats gelegen kunnen zijn. Voor de wulp en roodborsttapuit geldt dat ze niet enkel voorkomen in grote heideduin- graslandcomplexen maar ook in het agrarische cultuurlandschap. Zo werd de oorspronkelijke broedbiotoop van de wulp, die voornamelijk bestond uit natte heide- en veengebieden, in de tweede helft van de twintigste eeuw grotendeels ingeruild voor cultuurgraslanden. Het aandeel broedvogels in de heide is tegenwoordig beperkt; enkel in de grote heidecomplexen is de soort nog goed vertegenwoordigd. Ook de roodborsttapuit komt voor in landbouwgebieden met een voldoende grote oppervlakte aan ruige perceel- en grachtranden, maar hier liggen de dichtheden doorgaans veel lager dan in de grote heidecomplexen. Een betere verweving tussen het heide- en landbouwlandschap kan de populaties ten goede komen. Voor de vermelde reptielensoorten wordt de kwaliteit van het leefgebied vooral bepaald door de aanwezigheid van een geschikte zomer- en winterhabitat op overbrugbare afstanden van elkaar. De benodigde, functionele habitat van die soorten is vrij gelijkaardig en wordt bepaald door de verschillende landschapscomponenten die ze nodig hebben voor het voortplanten, foerageren, opwarmen en overwinteren. De gladde slang verkiest daarbij doorgaans de drogere delen van het heidelandschap, terwijl de adder eerder de vochtige terreindelen bewoont.

Kwaliteiten en beheer van habitats

Landschapsniveau 

Op landschapsniveau is een een betere verweving aangewezen van grote heide-duingraslandcomplexen met omringende of nabijgelegen landbouw- of boscomplexen. Tegenwoordig overheersen er scherpe grenzen tussen het uniform, voedselarm en extensief beheerd heidelandschap en het erg voedselrijke en intensief bewerkte landbouwgebied of tussen het open heidelandschap en de dichte bosgebieden. Geleidelijke overgangszones met gradiënten in voedselrijkdom en intensiteit van het grondgebruik in de raakzone tussen heidekernen en landbouwgebieden, kunnen een waardevolle aanvulling van de habitat van die soorten zijn. Dergelijke overgangszones lenen zich bij uitstek voor de ontwikkeling van schrale graslanden en extensief bewerkte akkers. Die biotopen verruimen daarenboven het foerageergebied en leveren zo een bijdrage aan een betere voedselkwaliteit en -kwantiteit voor de soorten. Daarnaast kunnen brede overgangszones ook de direct nadelige, vermestende en verdrogende impact van intensieve landbouwvoering op de heidecomplexen bufferen. Ook gradiënten tussen open heide-duin-graslandcomplexen en de omgevende, gesloten boscomplexen zijn belangrijk op landschapsschaal. Die halfopen overgangszones zorgen immers voor bijkomend foerageer- of leefgebied en de lichtrijke bosranden en open plekken kunnen de verbinding van populaties, vooral dan van de reptielensoorten, mogelijk maken. 

Gebiedsniveau

Op gebiedsniveau komen alleen uitgestrekte, aaneengesloten heide-duin-graslandcomplexen met een minimumoppervlakte van enkele tientallen tot honderden hectaren in aanmerking als leefgebied voor de bovengenoemde soorten. Om kleine of middelgrote heidegebieden geschikt te maken voor die soorten, zullen ze uitgebreid moeten worden. Daarvoor is het kappen van bos op voormalige heidegronden, eventueel gevolgd door plaggen, chopperen of begrazen, het meest aangewezen. Natuurontwikkeling op voormalige landbouwgronden door middel van ontgronden of uitmijnen, behoort eveneens tot de mogelijkheden. Ook functionele verbindingen tussen heidekernen kunnen de leefbaarheid van populaties vergroten. Verbindingszones creëren door zonbeschenen, heideachtige vegetaties te realiseren langs bospaden, bosranden en open plekken in het bos, kan bijdragen tot het instandhouden van populaties. Vooral voor de minder mobiele reptielen is het van belang dat er geen onoverbrugbare barrières aanwezig zijn. Zonder beheer groeit het heidelandschap echter dicht en stapelen humus en voedingsstoffen zich op. Het basisbeheer van de heide bestaat dan ook uit het voorkomen van de dichtgroei van het landschap en uit een verschralend beheer door de nettoafvoer van biomassa en voedingsstoffen. Beheermaatregelen die daarvoor gebruikt worden, zijn het kappen en verwijderen van boomopslag, begrazen, plaggen, maaien en branden. In grote gebieden is begrazing een belangrijke maatregel om op grote schaal de openheid te bewaren. Een uitgekiende begrazingsstrategie, met zonering in ruimte en tijd en met een wisselende begrazingsdruk die rekening houdt met de habitateisen van de bovengenoemde soorten, is evenwel noodzakelijk. Halfopen corridors door het bos kunnen heideterreinen met elkaar verbinden en de migratie voor dieren vergemakkelijken. De geselecteerde soorten hebben ook baat bij biotoopvariatie in hun leefgebied. Op gebiedsniveau is dat van belang voor de voedselkwantiteit en -kwaliteit. In het vaak erg voedselarme en zure heide-ecosysteem kunnen iets voedselrijkere en minder zure plekken een belangrijke rol spelen in de voedselbalans. Zo zullen door de aanwezigheid van heischrale graslanden, kruidenrijke hooilanden en tijdelijke of permanente, extensief bewerkte akkers de aantallen en de soortenrijkdom aan insecten en kleine knaagdieren in een gebied verhogen, en daarmee ook de voedselbeschikbaarheid voor insecteneters zoals de tapuit, roodborsttapuit en wulp, en voor beide slangensoorten die onder andere kleine zoogdieren op het menu hebben staan. Op gebiedsniveau kan daarom gestreefd worden naar een aandeel van tien tot twintig procent voedselrijkere vegetatietypen. Ook voldoende kale en kort begroeide delen zijn noodzakelijk voor het voedselsysteem van heidegebieden. De resulterende, warmere bodemtemperatuur is immers cruciaal voor de aanwezigheid van hoge aantallen karakteristieke insectensoorten. Toenemende vergrassing en de resulterende lagere bodemtemperatuur door het ontbreken van rechtstreekse bezonning, zijn dan ook erg nadelig. Plaggen, chopperen, branden en begrazen zijn geschikte maatregelen om het aandeel kale of schraal begroeide terreindelen te behouden of te verhogen. Voor verstoringsgevoelige soorten zoals de tapuit, wulp en beide slangensoorten is het noodzakelijk om de recreatiedruk te beperken. Het opstellen van een eigendomsoverschrijdende toegankelijkheidsregeling op gebiedsniveau, die rekening houdt met voldoende grote rustzones in voor die soorten cruciale terreindelen, is daarbij aangewezen. Een zonering in ruimte en tijd met bijvoorbeeld permanent ontoegankelijke rustgebieden of zones die enkel toegankelijk zijn buiten het broedseizoen, laat toe om de recreatiedruk te kanaliseren en belangrijke leefgebieden van die soorten tijdens gevoelige perioden te ontzien. 

Habitats

Hoewel de hier besproken soorten voorkomen in dezelfde grote heidegebieden, verschilt hun functionele habitat sterk, en gebruiken ze deels andere terreindelen. Voor alle soorten geldt doorgaans wel dat de verschillende functionele habitatelementen in elkaars onmiddellijke nabijheid moeten liggen. Voor alle soorten is ook een fijnschalige structuurvariatie van de habitat erg belangrijk. Het gaat dan om een afwisseling van ijle en dichtere begroeiing, om weinig en veel strooisel, zonbeschenen en schaduwplekjes, heidevegetaties en grazigere of kruidenrijkere plekjes, microreliëf … Voldoende habitatheterogeniteit is immers van belang voor een voldoende en gevarieerd voedselaanbod en voor nest- en schuilgelegenheid. Hoewel de soorten positief kunnen reageren op een grootschalig herstel tot nieuw geschikt leefgebied, is een kleinschalig en gevarieerd onderhoudsbeheer noodzakelijk om het leefgebied voldoende divers te houden. Om de variatie te versterken mag de beheeruitvoering daarom best wat rommelig zijn.

De soorten

Tapuit, roodborsttapuit, wulp

Bij die vogelsoorten wordt de functionele habitat vooral bepaald door de aanwezigheid van nestgelegenheid, een voldoende en geschikt voedselaanbod en een juiste kleinschalige
variatie in habitat- of vegetatiestructuur. Zowel bij de tapuit als roodborsttapuit zijn de broed- en foerageerhabitat doorgaans nauw met elkaar verweven. Bij de wulp kunnen beide wat verder van elkaar verwijderd en ruimtelijk gescheiden liggen.

Meer informatie over deze soorten lees je in de soortfiches zelf.

Adder, gladde slang, levendbarende hagedis

De adder, gladde slang en levendbarende hagedis zijn bewoners van open tot halfopen leefgebieden met een rijke vegetatiestructuur. Een verspreide begroeiing van bomen en struiken mag aanwezig zijn, maar een massale boomopslag wordt niet verdragen. Grote heideterreinen vormen de voorkeursbiotoop. Gladde slangen verkiezen vooral droge heideterreinen, terwijl adders een voorkeur hebben voor overgangen van droog naar vochtig en ook voorkomen in natte heide en hoogvenen. Ook landduinen, open bossen, bosranden en struwelen maken vaak deel uit van het leefgebied. De soorten maken ook gebruik van ruigtes, schrale akkers, heischrale graslanden en halfnatuurlijke graslanden grenzend aan de heide. De kwaliteit van het leefgebied wordt vooral bepaald door de aanwezigheid van een geschikte zomeren winterhabitat op overbrugbare afstanden van elkaar. De benodigde functionele habitat van die soorten, de verschillende landschapscomponenten die ze nodig hebben om zich voort te planten, te foerageren, zich op te warmen en te overwinteren, is vrij gelijkaardig. De zomerhabitat bestaat uit open, zonnige terreindelen. Een kleinschalige afwisseling van sterk zonbeschenen en schaduwrijkere plekjes is ideaal.

Meer informatie lees je in de fiches van de desbetreffende soorten.