De structuur van een natuurlijke beek

Van nature is er erg weinig stilstaan oppervlaktewater. Het meeste water stroomt. Neerslag valt neer op het land, en een deel van het water stroomt daarbij af en volgt het reliëf naar beneden, tot het uiteindelijk in de zee terechtkomt. Op het eerste zicht is de kortste weg daarbij de meest logische: een rechte rivier van de bergen tot aan de zee, met rechte zijrivieren en beken.
De dynamiek van het water zorgt echter voor wervelingen, die nog eens versterkt worden door objecten in het water zoals rotsen en omgevallen bomen. Dat leidt tot een kronkeling: een meander is geboren.
Deze kleine kronkel wordt alsmaar groter. In de buitenbocht stroomt het water veel sneller dan in de binnenbocht. Snelstromend water neemt materiaal mee, we noemen dat erosie. Daardoor zal de buitenbocht steeds breder worden, de oever kalft af en vormt een steile wand. De bodem ligt relatief diep door de snelle stroming, en enkel de zwaarste bodemdeeltjes (zand tot grind) blijven liggen.
De binnenbocht daarentegen, krijgt met afzetting te maken. Het water stroomt er veel trager, waardoor zwaardere deeltjes de tijd krijgen om neer te slaan. Dat vormt een zacht glooiende oever met recente afzettingen. In het water zelf is het ondiep, en de bodem bestaat uit kleinere deeltjes zoals leem of klei. Ook organisch materiaal als bladeren en andere plantenresten kunnen blijven liggen.
Dat verschil in buiten- en binnenoever is op onderstaand beeld goed te zien.

Zo’n meanderende rivier vormt een grote variatie aan potentiële habitats. In de steile oever broeden IJsvogels en Oeverzwaluwen, het sneller stromende water vormt een habitat voor stroomminnende diersoorten als steenvliegen en forel, de trager stromende delen zijn een leefgebied voor heel wat kleine bodemdiertjes, de Kleine modderkruiper, planten kunnen er groeien en de ondiepe zone kan, indien de rivier groot genoeg is, zelfs een moerasbos vormen.
Niet zo met een rechtgetrokken waterloop. Hier is de variatie in stroomsnelheid, bodemsubstraat en oevertypes nihil. Een kanaal zal daarom ook veel minder soorten tellen dan een natuurlijke beek of rivier. Bovendien kan een rechtgetrokken waterloop gemiddeld maar 40% van het water bevatten dat een meanderende rivier bezit omdat de loop zoveel korter is. De kans op overstromingen na zware regenval bij een rechtgetrokken loop is daarom groter. Het water stroom wel sneller weg, maar dat geeft dan weer problemen stroomafwaarts.

Een waterbeheerder heeft verschillende opties om dat probleem aan te pakken.

  • Het uitgraven van het oude profiel.
    Dat is een dure oplossing, maar soms wordt ze toch uitgevoerd. Een voorbeeld van zo’n plan, uitgevoerd door de VMM zie je hieronder. Het betreft het heraanleggen van het historische profiel van de oude Zuun in de buurt van Sint-Pieters-Leeuw.
  • Het spontaan laten hermeanderen.
    Op termijn zal elke waterloop terug meanderen. Als er plaats voor is, kan dat zelfs worden versneld door een obstakel in de beek te leggen zoals een boom. Het water zal dan vanzelf een bocht uitschuren. Uiteraard kan dat niet op eigen houtje beslist worden, de bekkenbeheerders moeten betrokken zijn.

Een tweede probleem van onze waterlopen zijn de vele sluizen, watermolens, overlopen etc. die verhinderen dat vissen kunnen migreren. Voor vissen die kunnen paaien in hetzelfde habitat waar de volwassen dieren leven is dat niet zo’n probleem, maar de meeste vissoorten zoeken een specifiek habitat om eieren te leggen. Dikwijls is dat wat kleiner, sneller stromend water met meer zuurstof of bij andere soorten glooiende oevers met veel begroeiing. Nog zeldzamere soorten leven in zee en migreren de rivier op om te paaien, zoals Zalm, Rivierprik en Elft. De Paling tenslotte volgt net het omgekeerde traject. Al deze migrerende vissoorten zijn erg zeldzaam, omwille van de waterkwaliteit maar nu die verbetert, staan deze migratieknelpunten in de weg.
Het is dus een taak voor de waterbeheerders om deze knelpunten aan te pakken door ze te verwijderen of om een oplossing te voorzien door een apart traject aan te leggen of een vistrap o.i.d.