Beheerevaluatie

Wat is beheerevaluatie?

Eindeloos eenzelfde beheer uitvoeren zonder je af te vragen of het de goede kant opgaat? Uiteraard is dat zinloos. Bij de nieuwe natuurbeheerplannen is beheeropvolging en beheerevaluatie een essentieel onderdeel om de resultaten van het beheer te kunnen volgen. Zo kan waar nodig het beheer of de doelstellingen worden bijgestuurd.

Er zijn door de beheerders twee zaken op te volgen: de uitgevoerde beheerwerken (jaarlijks) en de behaalde resultaten op het terrein (om de 6 jaar). Op basis van de beheerevaluatie wordt in samenspraak met ANB beslist of er bijsturing nodig is van de maatregelen en/of de doelstellingen.

Op deze pagina gaan we dieper in op de beheerevaluatie via de monitoring van de behaalde resultaten.

Voor de Waterspitsmuis is een gestandaardiseerde telmethode ontwikkeld

4 methodes

Afhankelijk van het natuurstreefbeeld of vooruitgang die je nog moet boeken, zal de gevraagde monitoring verschillen. Dat is logisch. Na inrichtringswerken die met grondwaterpeilen te maken hebben is een andere opvolging nodig dan bij een goed ontwikkelde droge heide in onderhoudsbeheer.

  1. Basis
    Jaarlijks worden de uitgevoerde werken geregistreerd en om de 6 jaar wordt een globale inschatting gemaakt van de kwaliteit van het natuurstreefbeeld. Er worden hiervoor geen bijkomende instrumenten gebruikt, het gebeurt op basis van de zogenaamde best professional judgement.
     
  2. Basis en indicatorlijsten
    Naast de beheerwerken wordt om de zes jaar een inschatting gemaakt van de vooruitgang op basis van indicatorlijsten. Voor bijna elk natuurstreefbeeld zijn plantensoorten vastgesteld waarvan de bedekking ruwweg moet worden ingeschat. Dit geeft een veel accuratere inschatting of je de gestelde natuurdoelen aan het naderen bent. Aangezien dat wel wat werk is, ontvangt de beheerder hiervoor 20 euro per jaar per hectare. Zie hieronder meer over de indicatorlijsten.
     
  3. Basis en waterpeilen
    Sommige natuurstreefbeelden zijn erg gevoelig aan veranderingen van grondwaterpeilen of oppervlaktewaterpeilen. Het probleem is dat zo'n verandering niet meteen zichtbaar is aan de vegetatie. Om sneller in te grijpen is een rechtstreekse meting van deze peilen nodig. Dat kan door middel van peilbuizen. Gezien de kost van plaatsing en opvolging wordt hiervoor een subsidie voorzien van 150€ per jaar per gemeten peilbuis.
     
  4. Soorten
    Soms worden doelsoorten opgenomen in het natuurbeheerplan. Naast het opvolgen van de habitatkwaliteit kan het nuttig zijn een rechtstreekse telling of dichtheidsmeting op die soort uit te voeren. Voor die doelsoorten zijn gestandaardiseerde methodieken voorzien. De subsiddie voor die extra opvolging bedraagt 50€/ha/jaar.

Indicatorlijsten: de soortenmandjes

Of je met je beheer op de goede weg bent, kan je ondermeer zien aan de plantensoorten die je aantreft. Een natuurstreefbeeld is in optimale toestand als alle soorten die je op die plek verwacht er ook in mooie aantallen aanwezig zijn. Dat is helaas maar zelden het geval. Om de inschatting te maken kijken we naar drie verschillende types planten:

  1. Sleutelsoorten : dit zijn de soorten van het natuurstreefbeeld. Hoe meer sleutelsoorten, hoe beter. Dikwijls zijn ze vrij zeldzaam of moeilijk terug te krijgen.
  2. Trajectsoorten: je kan lang goed beheren, zonder dat het aantal sleutelsoorten toeneemt. Het duurt soms lang voor de zaden op de juiste plek terechtkomen. Hoe weet je dan dat je op de goede weg bent? Dikwijls zijn er wel soorten die je dat vertellen, we noemen ze trajectsoorten. Ze zijn goed nieuws als je van een slechte situatie start. In graslanden zijn het soorten die wijzen op verschraling.
  3. Verstoringsindicatoren: er zijn plantensoorten die in bepaalde habitats wijzen op vergrassing, verdroging, vernatting, vermesting etc. Zo'n indicator kan in een ander habitattype soms een goede evolutie aangeven. Als verstoringssoorten toenemen, moeten het beheer of externe omgevingsdrukken aangepast worden.

In indicatormandjes voor beheerevaluatie  vind je de drie types soorten terug voor elk natuurstreefbeeld. Ze bestaan uit een set van soorten, eventueel aangevuld met structuurindicatoren die gebruikt wordt om het beheer op te volgen op het niveau van een natuurstreefbeeld. Voor elke soort kun je dus opzoeken tot welk type plant ze behoort (sleutel-, traject- of verstoringssoort) en of ze indicatief is voor een bepaalde ontwikkelingsfase of vegetatiestructuur. De indicatormandjes kun je per natuurstreefbeeld raadplegen op deze website. Hoe je ze best gebruikt lees je hier en algemene info over de indicatormandjes vind je op deze pagina

Met indicatormandjes kan je het beheer opvolgen op het terrein conform de  "basis + indicatorlijsten" in het natuurbeheerplan. De methode is door INBO beschreven in een veldprotocol en geeft richtlijnen voor timing, plaats van de monitoring, het aantal locaties en proefvlakgroottes. Je maakt een ruwe schatting van de bedekking van de plantensoorten.Je voert de monitoring dus uit wanneer je de planten kan zien en herkennen. Het veldprotocol kan zowel gebruikt worden voor natuurstreefbeelden voor vegetatie als voor natuurstreefbeelden voor procesgestuurde natuur.

In sommige gevallen werken we met een getrapt systeem: je moet een deel van de indicatoren pas opvolgen wanneer een andere indicator een bepaalde toestand signaleert. Dit is bijvoorbeeld het geval bij graslanden. In een eerste stap schat je daar de indicator graslandfase in. 

Grondwater opvolgen

Voor het opvolgen van waterstanden zijn twee methodes beschikbaar: peilbuizen en piëzometers. De eerste meten de waterstand, de tweede de waterdruk. Zeker voor natuurstreefbeelden met kwel zijn piëzometers het meest aangewezen. Beide types worden meestal samengenomen als 'peilbuizen'. Het verschil kan je ontdekken op bijgaande pagina.

Er zijn voorwaarden opgelegd naar aantal en locatie. De beheerder bepaalt de plaats, afhankelijk van de situatie en toegankelijkheid. Ze moeten immers om de 14 dagen worden opgemeten. Gelukkig zijn er toestellen op de markt die dat dagelijks en automatisch doen.
In de relevante streefbeelden wordt deze monitoring opgelegd zodra de oppervlakte meer dan 2 ha is. Tot 10 ha is het opvolgen van minstens 3 peilbuizen verplicht. Tussen de 10 ha en 100 ha; 1 peilbuis per 10 ha, met een minimum van 3 peilbuizen, en indien meer dan 100 ha: 1 peilbuis per 20 ha, met een minimum van 10 peilbuizen.