Viltroos

Rosa tomentosa

Beschrijving: 

De takken van Viltroos hebben zwak gebogen, vrij slanke en alleen aan de voet verbrede stekels. Aan bloeiende takken zijn de bladeren voor het grootste deel 7-tallig (ook wel 5-tallig) met vrij grote, eivormige tot langwerpige, dubbel gezaagde, tot 4 cm lange deelblaadjes. Ze zijn zacht behaard en van onderen grijsachtig viltig, vandaar de naam.

De steunblaadjes hebben korte, driehoekige, afstaande oortjes. De ongeveer 4 cm grote bloemen zijn lichtroze of wit. De kelkbladen zijn afstaand tot teruggebogen en met een spatelvormig uitgetrokken top. Na de bloei vallen deze spoedig af. De 1 tot 2 cm grote bottels zijn eivormig, oranjerood tot vuurrood met talrijke gesteelde klieren en vaak met meer dan 3 cm lange stelen.

Habitat: 

Tot voor kort bestonden er grondige meningsverschillen over de afgrenzing van viltroos (Rosa tomentosa) en ruwe viltroos (Rosa pseudoscabriuscula). De recentste taxonomische inzichten (HENKER 2000) hierover maken duidelijk dat ruwe viltroos een noordelijk taxon is dat slechts sporadisch in Vlaanderen voorkomt. Viltroos komt enerzijds voornamelijk voor op leemhoudende bodems en anderzijds ook op kalkhoudend duinzand. Daarnaast komt de soort verspreid voor op zowat alle andere bodemtypes (klei, zandleem, lemig zand). Alleen de allerarmste en zure zandbodems worden gemeden. De meeste groeiplaatsen zijn lichtrijk. In holle wegen in de Leemstreek compenseert viltroos het lichttekort vaak door extra hoog uit te groeien. De groeiplaatsen zijn meestal droog tot vochtig. Viltroos groeit in Vlaanderen vooral in ruige grazige vegetaties, dikwijls als een solitaire struik. Verder wordt ze aangetroffen in struweel en houtkanten van holle wegen, de mantel-zoom van bossen en in soortenrijke, wat oudere duinstruwelen.