Waterlobelia

Lobelia dortmanna

Habitat: 

Waterlobelia is een pionier van zandige, ondiepe tot vrij diepe plaatsen van vennen (tot meer dan één meter), die eventueel in de zomer kunnen droogvallen. De soort kan boven het oppervlak uitstekende bloeistengels vormen vanaf meer dan een halve meter diep. Ze heeft geen uitlopers en is dus aangewezen op kieming uit zaden, die voortkomen uit zelfbestuiving. Zoals kleine biesvaren is de soort gebonden aan venoevers of ondiepe plassen met voldoende dynamiek, teweeggebracht door windwerking. Waterlobelia is niet bestand tegen zich opstapelend organisch materiaal. Het oppervlaktewater heeft veelal een pH van 5,5 tot 6 en de soort is wellicht gevoeliger aan zuurdere pH-waarden dan oeverkruid, waarmee ze meestal samen groeit. Het water is zeer zwak tot zwak gebufferd tegen verzuring. Water en bodem zijn tevens gekenmerkt door voedselarmoede. Bij verzuring heeft de plant te lijden onder de sterke concurrenten knolrus en waterveenmos (Sphagnum cuspidatum). Wanneer stikstofaanrijking plaatsvindt, krijgt waterlobelia last van grote tapijten vensikkelmos (Drepanocladus fluitans).