Art. 3 Bosdecreet definieert de bossen van Vlaanderen

Art. 3 van het Bosdecreet geeft een definitie voor het begrip bos in Vlaanderen, namelijk ‘grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen’.

Naast deze algemene formulering stelt het Art. 3 ook een aantal grondoppervlaktes - die niet volledig aan de algemene definitie voldoen - toch gelijk aan bos (en bijgevolg is het Bosdecreet er op van toepassing) terwijl hetzelfde artikel ook een aantal met bomen bezette oppervlaktes expliciet van het toepassingsgebied van het Bosdecreet uitsluit (deze oppervlaktes worden dan niet als bos beschouwd).

Wordt in Vlaanderen ook als bos aanzien (Art.3 §2 ):

  • de kaalvlakten, voorheen met bos bezet, die tot het bos blijven behoren;
  • niet-beboste oppervlakten die nodig zijn voor het behoud van het bos, zoals de boswegen, de brandwegen, de aanpalende of binnen het bos gelegen stapelplaatsen, dienstterreinen en ambtswoningen;
  • bestendig bosvrije oppervlakten of stroken en recreatieve uitrustingen binnen het bos;
  • de aanplantingen die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de houtvoortbrengst, onder meer die van populier en wilg, uitgezonderd de korte-omloop-houtteelt waarvan de aanplant plaatsgevonden heeft op gronden die op dat ogenblik gelegen zijn buiten de ruimtelijk kwetsbare gebieden zoals bepaald in artikel 1.1.2, 10°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
  • de grienden.

Wordt in Vlaanderen niet als bos aanzien (Art.3 § 3):

  • de fruitboomgaarden en fruitaanplantingen;
  • de tuinen, plantsoenen en parken;
  • de lijnbeplantingen en houtkanten, onder meer langs wegen, rivieren en kanalen;
  • de boom- en sierstruikkwekerijen en arboreta die buiten het bos zijn gelegen;
  • de sierbeplantingen;
  • de aanplantingen met naaldbomen die uitsluitend bestemd zijn voor de verkoop als kerstboom. Een aanplanting wordt geacht niet langer aan deze voorwaarde te voldoen wanneer de gemiddelde hoogte van het bestand 4 meter heeft bereikt;
  • alle tijdelijke aanplantingen met houtachtige gewassen in uitvoering van de verordeningen van de Europese Gemeenschap voor wat betreft het uit prodcktie nemen van bouwland;
  • de wissenteelt waarvan de bovengrondse massa periodiek tot maximaal drie jaar na de aanplanting of na de vorige oogst, in zijn totaliteit wordt geoogst;
  • agroforestry: systemen voor grondgebruik waarbij de teelt van bomen wordt gecombineerd met landbouw op dezelfde grond, toegepast op een perceel landbouwgrond als vermeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwer, exploitatie en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en het landbouwbeleid en waarvan de aanmelding via de verzamelaanvraag en het aanplanten van de bomen gebeurde na het inwerking treden van het decreet van 20 april 2012 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur.