In de wetgeving staan een beperkt aantal regels die gerespecteerd moeten worden bij het planten van bomen en struiken. De bepalingen vinden we terug in verschillende wetteksten. 

Op deze pagina gaan we in op de plantafstanden uit het Veldwetboek uit 1886 en het Burgerlijk Wetboek. Op de volgende pagina behandelen we de regels uit de andere wetgeving die van toepassing kunnen zijn bij het planten van bomen. Daarbij geven we ook een overzicht van de te respecteren plantafstanden naast nutsvoorzieningen, wegen, edm..

Veldwetboek: 6 meter voor bosaanplantingen

Tot september 2021 vonden we de te respecteren plantafstanden t.o.v. de perceelsgrens in het Veldwetboek (uit 1886!). Quasi al deze bepalingen zijn overgenomen in het Burgerlijk Wetboek, boek 3 'Goederen' (zie verder). 

In art. 35bis§5 van het Veldwetboek van 1886 vinden we wel nog steeds de te respecteren plantafstand voor bosaanplant in het agrarisch gebied:

In de voor de landbouw bestemde gedeelten van het grondgebied is bosaanplanting verboden op minder dan zes meter van de scheidingslijn tussen twee erven. Bovendien is een vergunning van het college van burgemeester en schepenen vereist. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op de voor bosbouw bestemde zone, langs de voor landbouw bestemde zone."

Dus voor bosaanplanting in agrarisch gebied:

  • blijf je op 6 meter van de perceelsgrens
  • heb je een vergunning van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente waar de bosaanplanting gebeurt, nodig. Het college beslist binnen dertig dagen na de indiening van de aanvraag. Doet het dit niet binnen die termijn, dan wordt de vergunning geacht verleend te zijn. De weigering van de vergunning is met redenen kleed. Er kan beroep worden ingesteld bij de bestendige deputatie tegen de weigering van de vergunning, niet tegen een positieve beslissing! 

 

Burgerlijk Wetboek: algemene afstandsregels bij bomen planten

In 2019 werd het Burgerlijk Wetboek, boek 3 'Goederen' aangevuld met te respecteren plantafstanden bij bomen en struiken planten. De bepalingen gingen in september 2021 van kracht.

In art. 3.133 lezen we: 

Alle beplantingen moeten minimaal op de hierna bepaalde afstanden van de perceelsgrens staan:

  • bomen die minstens 2 meter hoog zijn: 2 meter te rekenen vanaf het midden van de voet van de boom
  • andere bomen, struiken en hagen: op een halve meter. 

Uitzonderingen zijn:

  • als partijen hierover een contract hebben gesloten (overeenkomst, notariële akte)
  • als de beplanting al meer dan 30 jaar op dezelfde plaats staat (30-jarige verjaring)

 

Gevolgen van het niet respecteren van de afstandsregels uit het BW

Werden bomen, hagen, heesters en struiken op een kortere afstand geplant dan in de wet bepaald, dan kan de nabuur de snoeing of rooiing er van eisen tenzij de rechter van oordeel is dat dit rechtsmisbruik uitmaakt.

De rechter houdt bij dat oordeel rekening met alle omstandigheden van het geval, met inbegrip van het algemeen belang

Dit betekent dat dit eisen geen automatisch recht inhoudt! Bijgevolg is het de (vrede)rechter die in deze kwesties een appreciatiebevoegdheid heeft. Hierbij zal die alle belangen van beide partijeninroepen en rekening  houden met het algemeen belang. 

Bovendien betekent de uitspraak van de (vrede)rechter nog niet dat men een vergunning heeft om de boom te mogen kappen!  Die vergunningen/ ontheffingen / afwijkingen moeten indien nodig ook aangevraagd en bekomen worden vooraleer bomen gekapt kunnen worden.

Een bijzonder voorbeeld hiervan vind je in het magazine Frontaal van het Gents Milieufront, maart 2016, p 13-15, 'Kafka voor een boom'.

 

Andere wetgeving bij bomen planten

  • Naast de plantafstanden uit het Veldwetboek zijn er nog tal van te respecteren plantafstanden ingevoerd in Vlaanderen.
  • Het planten van bomen kan ook een vegetatiewijziging inhouden. Dan moeten de regels uit het Natuurdecreet gerespecteerd worden. 
  • Grootschalige bebossingen kunnen onderhevig zijn aan de MER-plicht. 

Meer hierover lees je op de volgende trajectpagina.