Op basisch van een aantal milieufactoren kunnen waterlopen in verschillende types worden opgedeeld. Belangrijke factoren hierin zijn morfologische kenmerken als grootte, diepte en functionele kenmerken als gebruik door scheepvaart en functie voor het waterbeheer. De openbare viswaters in Vlaanderen worden ingedeeld in de volgende watertypen:
* grind-, zand- en kleiputten;
* meanders;
* ondiepe plassen;
* stadswaters;
* kanalen, intensief en extensief bevaren;
* polderwaters, vaarten en sloten.
De grind-, zand- en kleiputten zijn gegraven of uitgezogen ten behoeve van grind-, zand of kleiwinning. Deze waters kunnen zeer diep zijn, tot wel 20 meter. De grote diepte heeft tot gevolg dat er in de zomer temperatuurverschillen met de hoogte kunnen optreden. De waters kunnen diverse functies hebben. Er wordt niet alleen in gevist, vaak zijn er ook andere recreatiemogelijkheden zoals zwemmen, zeilen of waterskiën. Daarbij kunnen deze waters ook een natuurfunctie hebben.
Meanders zijn afgesneden oude rivierarmen die volledig van de hoofdstroom gescheiden zijn. Deze waters kunnen ontstaan zijn doordat de hoofdstroom zich verplaatste of doordat de mens de verbinding heeft verbroken. Vaak is nog wat van het oude rivierkarakter te zien in de vorm van het water (langgerekt) en natuurlijke oevers. De hoofdfuncties van deze waters concentreren zijn recreatie en natuur.
Ondiepe plassen kunnen zowel kunstmatig als op natuurlijke wijze zijn ontstaan. Ze zijn een stuk kleiner dan de grond-, zand- en kleiputten, en vooral minder diep (< 6 m). In de ondiepe plassen treden geen temperatuurverschillen met de hoogte op.
Onder het type stadswaters vallen de in de stad gelegen waters als sierwater, parkvijvers, singels en grachten. Ook fortwaters worden tot dit type gerekend, al liggen die niet altijd in de stad. Aangezien dit een beetje een verzamelcategorie is van verschillende waters, zijn er veel verschillende mogelijkheden voor vorm, type en functie. In ieder geval staat de landschappelijke/planologische en recreatieve functie vaak vooraan. Dit brengt ook beperkingen met zich mee in de mogelijkheden voor de inrichting, bijvoorbeeld de architectonische waarde van een fortgracht en de veiligheid bij een parkvijver.
De kanalen zijn in de eerste plaats aangelegd voor de scheepvaart. Daarom zijn de oevers vaak bekleed met betonnen of metalen damwanden of verstevigd met steen of hout. Niet in alle kanalen is de scheepvaart nog even belangrijk, daarom worden intensief en extensief bevaren kanalen onderscheiden. Op de intensief bevaren kanalen vindt veel (beroeps)scheepvaart plaats, hierdoor is er onder andere veel golfslag. Deze kanalen zijn over het algemeen redelijk groot en diep. De extensief bevaren kanalen worden beperkt gebruikt, vooral door recreatievaart. De gevolgen van de scheepvaart zijn hierdoor veel minder groot. Ook zijn deze kanalen minder diep en breed. Naast gebruik voor scheepvaart hebben de kanalen ook een functie voor de aan- en afvoer van water.
De polderwaters zijn langgerekt. Polderwaters liggen in het poldergebied, ze zijn gegraven ten behoeve van de aan- en afvoer van water. Naast deze functie kunnen er ook natuur- en recreatiedoelstellingen zijn. De polderwaters worden onderverdeeld in poldervaarten en poldersloten, deze laatste zijn smaller en minder diep.