Op de meeste waterlopen wordt de bewegingsvrijheid van vissen bemoeilijkt door barrières in de waterlopen (stuw, sluis, molenrad, terugslagklep, dam,...). Die bewegingsvrijheid heeft een vis nodig om bijvoorbeeld te kunnen trekken tussen zee en zoetwater of op de rivier zelf. Veel vissoorten leven als volwassen dier immers op andere plaatsen dan als jong exemplaar.
Een vistrap helpt de vis een handje om deze waterbouwkundige constructies te overbruggen door het hoogteverschil dat hierdoor ontstaat op te splitsen in kleinere stappen.
Vissen migreren, afhankelijk van de soort, over min of meer grote afstand op zoek naar geschikte voortplanting-, rust- en voedselplaatsen. Ook andere redenen kunnen aanzetten tot migratie: bescherming tegen predatie, vlucht voor verontreiniging, wisselend winter- en zomerverblijf, wisselende eisen aan het biotoop bij wisselende levensstadia en uitwisseling van genetisch materiaal tussen populaties. De meest opvallende migratie gebeurt in functie van de voortplanting. Vb. Zalm en paling trekken van zee naar zoet om te paaien. Allerhande kunstwerken op de waterloop bemoeilijken echter de vistrek. Het plaatsen van een vistrap of vispassage kan een oplossing bieden voor dit migratieprobleem.
Als gevolg van deze vaak onoverbrugbare kunstwerken valt het leefgebied van een vissoort uiteen in een aantal verschillende van elkaar gescheiden deelgebieden. Populaties van sommige vissoorten zijn zo klein geworden en versnipperd dat de afzonderlijke populaties door tijdelijke achteruitgang van het leefgebied zelfs kunnen verdwijnen.
Het plaatsen van een vispassage wordt vrij algemeen gebruikt als ontsnipperingsmaatregel. Het bestaat uit een opeenvolging van kamers, van elkaar gescheiden door tussenschotten, die de vis omhoog leiden doordat het verval geleidelijk aan overbrugd kan worden. De openingen in de tussenschotten waarlangs vissen naar de volgende kamer zwemmen, bevinden zich soms volledig onder water en sluiten bovendien aan op de bodem zodat een traploze, hellende bodem ontstaat. Door deze doorzwemopeningen afwisselend links en rechts van de lengteas van de vispassage te plaatsen, ontstaat een slingerend stromingspatroon dat zorgt voor een afremming van de stroomsnelheid. De opening van de vispassage, het begin, moet zo geplaatst worden ten opzichte van de waterloop zodat de vis als het ware 'gelokt' wordt naar deze doorgang en vlot de vistrap verkiest.

Een voorbeeld van een natuurlijk opgebouwde vistrap op de Zwalm ((c) Vilda)