Een vijver is een door de mens aangelegd waterlichaam met beperkte oppervlakte. Het verschil tussen de begrippen vijver, poel en plas is echter niet duidelijk vastgelegd.
Aan een poel is eerder een agrarische functie verbonden, terwijl een vijver eerder met visvangst of een sierfunctie wordt geassocieerd. Een plas lijkt meer een toevallig of tijdelijk verschijnsel te zijn. Een vijver slaat doorgaans ook op een groter waterlichaam dan een plas of een poel. Belangrijker is evenwel wat zich in het water afspeelt. Alle voldoende grote, ondiepe wateren bevinden zich in één van twee alternatieve evenwichten: een heldere door waterplanten gedomineerde toestand enerzijds, en een troebele toestand zonder veel plantengroei anderzijds. Beide situaties kunnen op korte tijd in elkaar overgaan.
In een heldere vijver vind je een goed ontwikkelde onderwatervegetatie, weinig algen (fytoplankton) en veel dierlijk plankton (zoöplankton). Er komen veel roofvissen voor en weinig bodemwoelende vissen zoals karper en brasem. In een troebele vijver is de situatie net omgekeerd. Je vindt er weinig waterplanten, veel algen en weinig zoöplankton. Er komen voornamelijke bodemwoelende vissen voor.
De concentratie aan fosfaat en (in mindere mate) aan nitraat in het water bepaalt welke van de twee evenwichten het meest waarschijnlijk is. Hoe meer voedingsstoffen het water bevat, hoe groter de kans op troebel water. Een toename aan voedingsstoffen stimuleert de algenbloei, waardoor het water troebeler wordt. In troebel water kunnen waterplanten minder goed groeien vanwege het gebrek aan licht. Waterplanten gaan zelf vertroebeling van het water tegen, maar als het fosfaat- en nitraatgehalte blijft stijgen, zullen ze verdwijnen en wordt de verdere vertroebeling niet meer afgeremd. Roofvissen zoals de snoek voelen zich in een omgeving zonder waterplanten niet meer thuis, het zijn gecamoufleerde zichtjagers, in troebel water kunnen ze niet jagen. Daardoor krijgen vissoorten als karper en brasem vrij spel. Zij dragen bij tot de troebelheid van het water doordat ze de bodem omwoelen. Bovendien leven deze soorten van zoöplankton. Zoöplankton voedt zich met algen, dus kunnen deze laatste kunnen zich ongehinderd verder ontwikkelen als het zoöplankton verdwijnt. Het resultaat is nog troebeler water. Eens de troebele toestand is bereikt, zorgt de beperkte lichtinval voor een zekere stabiliteit. Algen ondervinden hiervan minder hinder dan waterplanten, die geen kans krijgen om zich opnieuw te vestigen.
De meerderheid van de vijvers in Vlaanderen bevond zich ooit in de heldere toestand. Maar vervuiling door landbouw en huishoudelijk afvalwater heeft ons oppervlakte water sterk aangerijkt met voedingsstoffen. Daardoor heeft op verschillende plaatsen de omslag naar troebel water plaatsgevonden. Met een gepast beheer is een terugkeer naar de heldere toestand mogelijk. Het terugdringen van het fosfaat- en nitraatgehalte in het water is daarbij essentieel, maar allerminst eenvoudig. Een chemische of biologische waterzuivering, het isoleren van de vijver van vervuild oppervlaktewater en het verwijderen van bodemslib kan redding brengen. Vaak is een meer drastische ingreep nodig. De bodemwoelende vissoorten worden dan verwijderd door de vijver tijdelijk droog te leggen en eventueel worden, nadat een nieuw evenwicht is bekomen roofvissen uitgezet. Dit kan leiden tot een tijdelijke verheldering van het water waardoor waterplanten weer de kans krijgen zich te ontwikkelen. Zij zorgen dan dat het water helder blijft.