De soorten die als eerste een kale bodem of onbegroeide waterplas innemen verspreiden zich gemakkelijk. Ze leven echter kort en al snel nemen bijv. graslandplanten hun plaats in. De bodem wordt stilaan rijker aan humus omdat er steeds meer dood plantenmateriaal is opgehoopt dat langzaam begint af te breken. Vanaf dan komen de ruigtekruiden tevoorschijn. Deze soorten hebben voldoende voedingsstoffen nodig om te kunnen groeien. Ten slotte kunnen struiken en bomen eventueel het terrein in nemen. Dergelijke opeenvolgende veranderingen van de vegetatie in de tijd noemt men successie.
In de successie volgen verschillende vegetatietypes elkaar op: pioniersvegetaties, overgangsvegetaties en climaxvegetaties. De planten veranderen telkens weer de groeiomstandigheden waardoor andere soorten zich kunnen vestigen. Deze laatsten concurreren uiteindelijk de aanwezige plantensoorten weg waardoor een ander vegetatietype ontstaat.
In de loop van de successie worden de relaties tussen de verschillende planten of tussen planten en andere organismen steeds ingewikkelder. Door de aanwezigheid van veel verschillende plantensoorten komen in de struweel- en bosvegetatie de meeste dierensoorten voor.
Als de successie niet wordt verstoord (zie verstoring) door de natuur (bijv. door het omwaaien van bomen) of door de mens (bijv. door het bos af te branden) evolueert de vegetatie bij ons bijna altijd naar een bosvegetatie. Soms wil de mens echter een bepaald vegetatietype behouden. Hij zal dan moeten ingrijpen om er voor te zorgen dat het natuurlijk vegetatieproces stopt. Hij moet het gebied beheren.
De nodige beheersmaatregelen zijn verschillend voor elk vegetatietype. Bij een pioniersvegetatie moet de bodem regelmatig kaal gemaakt worden. Dit kan door de bovenste laag af te plaggen of door de grond te bewerken. En grasland wordt in stand gehouden door één of meerdere keren per jaar te maaien of door er dieren op te laten grazen. Een ruigte moet men om de 2 à 5 jaar maaien te vermijden dat struiken zich vestigen. Bij een struweelvegetatie moet de opkomende bomen weggekapt worden. Om te komen tot een bosvegetatie moet men niks doen.
Wanneer het eindstadium van de successie is bereikt stopt ze, d.w.z. het bos blijft behouden en wordt niet vervangen door een volgend vegetatietype. Door verstoring kan er lokaal wel nog een open plek ontstaan waar de successie opnieuw begint. Na verloop van tijd vestigen er zich opnieuw houtige gewassen. Op grotere schaal blijft het bosecosysteem echter behouden.

Een vereenvoudigd schema van hoe een bossuccessie verloopt, van een afgebrand bos, over een pioniersbos met berk, een overgangsfase naar een afbraakfase van een climaxbos.
De successie kan in vier fases verlopen (maar andere evoluties zijn mogelijk) :
- Pioniersvegetatie: De eerste plantensoorten die tevoorschijn komen worden pionierssoorten genoemd. Deze soorten slagen erin om te overleven op plaatsen die voor andere soorten totaal ongeschikt zijn (bijv. biestarwegras kan op duinzand groeien met zijn wortels in zout water). Deze planten kiemen, groeien en bloeien zeer snel maar leven slechts één of twee jaar. Ze produceren veel en licht zaad, waardoor ze zich gemakkelijk kunnen verspreiden. Voorbeelden van pionierssoorten zijn klaproos, kamille,...
- Graslandvegetatie: De pionierssoorten veranderen stilaan de groeiomstandigheden van een omgeving waardoor andere soorten er kunnen overleven (bijv. het biestarwegras houdt zand tegen met zijn bladeren. Er ontstaan kleine duintjes die zoet water (regenwater) kunnen vasthouden). De groeiomstandigheden worden echter minder gunstig voor pioniersplanten. Ze verdwijnen meestal al na één groeiseizoen en andere planten nemen hun plaats in (bijv. de zandduintjes worden steeds hoger waardoor het biestarwegras met zijn wortels niet meer tot bij het zoute water kan komen. Helmgras heeft zoet water nodig en vestigt zich). Graslandplanten groeien trager en kunnen meerder jaren overleven. De grassen vormen met hun wortels een dichte grasmat. Pioniersplanten zouden hier niet op kunnen overleven maar andere graslandplanten zijn aangepast aan het leven in en tussen een dichte grasmat zoals bijv. de pinksterbloem.
- Ruigtekruidenvegetatie: Na elk groeiseizoen wordt het afgestorven gras opgestapeld waardoor de strooisellaag steeds dikker wordt. De onderste laag wordt langzaam verteerd. De graslandplanten krijgen stilaan te weinig licht en lucht en verdwijnen. Ruigtekruiden blijven meerdere jaren leven en schieten hoog op. Tot deze groep behoort de brandnetel, maar ook bijv. koninginnenkruid, moerasspirea en kattenstaart.
- Struweel- en bosvegetatie: Tussen de ruigtekruiden kiemen langzaam maar zeker zaailingen van houtachtige gewassen. Hun zaden worden aangevoerd door de wind, door het water of door vogels. Eerst ontstaat er een struikachtige vegetatie of een struweel van bijv. meidoorn, sleedoorn en vlier. Daarna schieten de eerste bomen op zoals berk, wilg, els en abeel. De bomen worden steeds groter en na een tijdje verdwijnen de overblijvende graslandsoorten en ruigtekruiden en een aantal van de struiken door het gebrek aan licht. Het struweel verandert dan in bos. De eerste bomen die zich vestigen hebben veel licht nodig (zie lichtboomsoorten). Maar het kronendak wordt steeds dichter waardoor uiteindelijk alleen de soorten overblijven die in de schaduw kunnen overleven (zie schaduwboomsoorten). De bodem raakt bedekt met afgevallen bladeren en takken, die verteren tot humus. Op deze bosbodem voelen nieuw-bosplanten (zoals maarts viooltje, hondsdraf,...) maar ook enkele typische oud-bosplanten (zoals bosanemoon, daslook,...) zich thuis.
Nog opmerken dat succesie niet alleen in vegetaties optreedt. Er is bijvoorbeeld ook een typische successie van schimmels in dood hout en van insecten op kadavers.
Schaminée, JHJ., Stortelder, A.H.F. & Westhoff, V. (1995). De Vegetatie van Nederland. Deel 1. Opulus Press, Leiden, 296pp.