Dit zijn verplaatste en afgezette korreltjes bodemmateriaal of andere deeltjes bijvoorbeeld van planten. Dat materiaal kan verplaatst zijn door wind, water of ijs. Ook de laag deeltjes die neerdwarrelen in water en op de bodem terechtkomen wordt sediment genoemd.
Sediment in water zal een andere samenstelling hebben naargelang de stroomsnelheid. In stilstaand of zeer traagstromend water wordt alle materiaal afgezet. Maar aangezien door het gebrek aan stroming grotere deeltjes niet worden getransporteerd zal het sediment vooral bestaan uit zeer fijne korreltjes of ander meestal zwevend materiaal. Hoe sneller het water stroomt, hoe groter en zwaarder de korrels zullen zijn. Zand bij middelmatige stroming en grind en zelfs stenen bij hogere stroomsnelheden.
In poelen zal het sediment bestaan uit slib: afgestorven plankton, plantendelen en ingewaaid materiaal. Aangezien dat materiaal in een relatief zuurstofarme omgeving terechtkomt zal de afbraak van het sediment meestal trager zijn dan de vorming, waardoor de poel uiteindelijk vol geraakt en verland. Baggeren of schonen is dan de boodschap.