De schoontijd is een periode waarin niet in het bos mag worden gewerkt. De periode loopt standaard van 1 april tot 30 juni, maar afhankelijk van de situatie kan ze aangepast, verkort of verlengd worden.
De term schoontijd wordt ook gebruikt in de jacht, het betreft de jaarlijks terugkererende periode waarin op een bepaalde soort niet mag worden gejaagd.
Het doel van de schoontijd in het bosbeheer is vooral om broedende vogels niet te verstoren. Maar ook bodembescherming, het voorkomen van zeldzame vegetatie of bepaalde diersoorten kunnen een reden zijn. De manier waarop de schoontijd wordt toegepast, wordt daarom best vastgelegd in het bosbeheerplan waarbij rekening houdend met de specifieke omstandigheden, de meest kwetsbare periode en passende beschermingsmaatregelen worden bepaald.
Een uitgebreid document betreffende de schoontijd en de redenen daartoe is te vinden bij de Britse Forestry Commission
http://www.forestry.gov.uk/pdf/Guidancenote32Birddisturbance.pdf
De beheervisie, opgesteld door door ANB, vermeldt dat de schoontijd kan uitgebreid worden in volgende gevallen:
- kwetsbare voorjaarflora, die soms al in maart groeit en bloeit;
- extreem vroege of late broedgevallen van zeldzame vogel- en diersoorten;
- amfibieëntrek (padden en salamanders);
- dassenburchten;
- op zeer natte gronden.
Wanneer deze schoontijd echter niet leidt tot een betere bescherming van het ecosysteem kan
overwogen worden om deze periode in te korten of op te heffen.
Bij de uitbesteding van werken kunnen problemen optreden inzake het respecteren van de opgelegde exploitatievoorwaarden. Deze kunnen in de praktijk via een lastenboek gecontroleerd worden, waarin sancties met financiële implicaties voorzien zijn bij het niet correct opvolgen van de werken.
In het Verenigd Koninkrijk heeft de Forestry Commission een document opgesteld (zie links) dat uitgebreid ingaat op de schoontijd. Men streeft er, net zoals hier, naar een pragmatisch evenwicht tussen de economische en ecologische functie van het bos. Voor soorten die zeldzamer of gevoeliger zijn worden andere regels opgelegd. Verstoring kan vermeden worden door een goede planning. Een inventarisatie van de gevoelige soorten en hun nestplaatsen is een eerste stap. Daarnaast is het goed om te weten welke boswerkzaamheden of recreatievormen een impact hebben op welke soort. Tenslotte moeten we een idee krijgen van de periode van gevoeligheid. Sommige soorten zijn erg gevoelig tijdens de broedperiode, anderen ook tijdens de balts en/of nestbouw die een stuk vroeger valt.
Zo heeft de Forestry commission voor een aantal vogelsoorten een vaste regel opgesteld. Voor roofvogels wordt een straal van minstens 200 meter gehanteerd (of een oppervlakte van 12 ha). Voor Auherhoen mogen geen recreatie of werkzaamheden plaatsvinden op minder dan een kilometer van de baltsplaats, wat neerkomt op een beschermde zone van 31.000 ha, natuurlijk enkel tijdens de baltsperiode. Voor nesten is de diameter 100 m, aan te duiden op de bomen.
Hieronder, nog enkele voorbeelden van vogelsoorten die ook in onze bossen te vinden zijn, minimale aanbevolen werkafstanden vanaf het nest te rekenen, opgesteld door de Forestry Commission (sommige soorten zijn daar wel zeldzamer dan hier)
Havik 250 -450 m
Kuifmees 50 - 200 m
Wespendief 150 - 600 m
Buizerd 200 m
Boomvalk 180 - 450 m
Nachtzwaluw 50 - 220 m