Het is niet zoals de naam zou kunnen doen vermoeden dat een schaduwboomsoort in de schaduw moet staan. Nee, een schaduwboomsoort is gewoon zuinig met licht waardoor de jonge exemplaren ook met weinig licht groot kunnen worden.
Schaduwboomsoorten zijn gespecialiseerde bosbomen die door een efficiënte fotosynthese overweg kunnen met lage lichtintensiteiten in bos. Zaailingen die opgroeien in de schaduw groeien trager dan wanneer ze dat in volle licht zouden doen, maar meestal overleven ze deze krachttoer wel. Dit is natuurlijk een ideaal mechanisme om zich te kunnen voortplanten in bossen, waar meestal niet zo veel licht te vinden is onder de kruinen. Zaailingen van schaduwboomsoorten 'wachten' soms tientallen jaren onder het kronendak en van zodra er toch eens meer licht komt beginnen ze gaan door te groeien als waren het jonge boompjes. Verder in zijn leven volgt een schaduwboomsoort gewoon de regels van de plantengroei: meer licht is meer fotosynthese is harder groeien.
Echte schaduwboomsoorten zijn zilverden, taxus, beuk, haagbeuk en fijnspar. Ook de gewone esdoorn heeft een groot schaduwverdragend vermogen. De gewone es is eigenlijk een uitzondering: hij staat te boek als lichtboomsoort maar de zaailingen hebben de bijzondere gave om enkele decennia in het halfdonker te kunnen overleven.
Door het schaduwverdragende vermogen kan de verjonging van dergelijke bomen in kleine verjongingsplekken gebeuren. In volwassen bossen is het mogelijk om zwak te dunnen en een heel hoge houtvoorraad op te bouwen (bv. beuk), maar voor de productie van kwaliteitshout is het zoals bij ongeveer alle boomsoorten best om het bos toch wat ijler te houden.