Bij nulbeheer laat men de natuur gewoon zijn gang gaan. In Nederland spreekt men ook wel van klapstoelbeheer.
Vooral ecosystemen met een lage productiviteit en onder extreme omstandigheden, zoals getijdengebieden, stuifduinen en hoogvenen, kunnen lange tijd zonder beheer. Meestal betekent niets doen echter een toenemende verbossing.
Vooral in bossen wordt soms een nulbeheer gevoerd, met name in bosreservaten. Zo hoopt men meer te leren over natuurlijke processen in het bos en over de invloed die beheersmaatregelen hebben.
Nulbeheer in een bos is in tegenstelling tot wat men zou denken, een tamelijk experimentele beheertechniek, want in onze streken is nergens nog een perfect natuurlijk bos te vinden. Slechts enkele bossen, zoals het Bialowiezawoud in Polen, dat sinds de 15e eeuw enkel als jachtgebied wordt gebruikt, geven een beeld van wat we kunnen verwachten bij nulbeheer.
Uit de recente experimenten met nulbeheer blijkt dat dit in bossen waar weinig kansen zijn op dynamiek (bijvoorbeeld branden of stormen), leidt tot donkere bossen met een achteruitgang van de biodiversiteit, zowel op het gebied van planten als op het gebied van paddestoelen. Ook de structuur blijft dan lange tijd eenvormig. Enkel de hoeveelheid dood hout en de daaraan gebonden dieren en planten nemen fors toe. Pas na tientallen of honderden jaren, afhankelijk van de boomsoort en leeftijd, komt het bos in een afbraakfase en neemt de hoeveelheid licht op de bosbodem terug toe.