Neofyten zijn plantensoorten die tot de wilde flora van een gebied gerekend worden, maar hier pas ingeburgerd zijn na het jaar 1500.
Neofyt komt uit het Grieks en betekent "nieuwe plant". Neofyten hebben zich permanent op een bepaalde plek in het landschap gevestigd. Ze gedragen er zich natuurlijk en planten zich voort. Het zijn dus als het ware ingeburgerde exoten of nieuw-inheemse soorten.
Daartegenover staan de archeofyten, planten die reeds voor 1500 geïmporteerd werden. Als grens werd 1500 genomen, omdat algemeen aanvaard wordt dat rond 1500 de periode van de Middeleeuwen eindigt. Daarna komt er veel meer technologie ter beschikking van de mensen en wijzigt het landschap.
Neofyten kunnen grote bomen zijn, struiken, kruiden of mossen. Ze kunnen ook in allerhande ecosystemen voorkomen, alhoewel bepaalde plaatsen blijkbaar toegankelijker zijn. Vooral watervegetaties lijken de laatste eeuwen en decennia wel overspoeld te worden met neofyten.
Hierbij is het niet belangrijk of ze bewust of onbewust door de mens zijn geïmporteerd. Van vele soorten weten we trouwens niet exact wanneer en hoe ze bij ons zijn terecht gekomen.
Voorbeelden van neofyten zijn :
Trosvlier en Robinia in bossen
Kalmoes en Reuzenbalsemien aan oevers
Smalle waterpest en Grote waternavel in het water
het mos Grijs kronkelsteeltje op open zand.
Heel wat neofyten zijn ontsnapte sierplanten zoals de Schijnaardbei en de Japanse duizendknoop.
Verloove, F. (2002). Ingeburgerde plantensoorten in Vlaanderen. Mededeling van het Instituut voor Natuurbehoud, nr. 20, Brussel, 227 p.