woordenboek    encyclopedie

Moeras

“Tussen water en land”

definitie

Moerassen vormen de overgang tussen water en land. Water en land wisselen er elkaar af. Moeras kan ontstaan door verlanding of vermorsing. Bij verlanding groeit open water langzaam dicht. Bij vermorsing onstaat moeras door een geleidelijk stijging van het grondwater, waarbij nooit echt open water wordt gevormd. Een poëtischer omschrijving van moeras is "een koe kan er niet lopen, maar een vis kan er niet zwemmen"

abstract

Wanneer moeras ontstaat door verlanding, gaat dat doorgaans als volgt:

In ondiep water komen vaak veel zwevende en wortelende ondergedoken waterplanten voor, zoals fonteinkruiden, kranswieren, eendekroos. Als het water voldoende ondiep is, vinden we ook wortelende planten met drijvende bladeren zoals witte waterlelie, gele plomp en watergentiaan. Als deze planten afsterven, vormen hun resten op de bodem een laag die rijk is aan organisch materiaal. Deze laag noemt men veen. Aan de rand van het water komen moerasplanten voor, zoals riet, kleine lisdodde en mattenbies. Ook tussen de oeverplanten stapelt zich veen op. Daardoor wordt het water ondieper en schuiven de moerasplanten steeds verder naar het binnenste van het water op, tot die volledig is opgevuld. Het water is dan veranderd in laagveen, waarbij de vegetatie wortelt in een voedingsbodem die ze zelf heeft doen ontstaan. Men spreekt van laagveen omdat het veen zich vormt onder invloed van grond- of oppervlaktewater, en dus op lage plaatsen.
Het kan ook gebeuren dat oeverplanten via een drijvend netwerk van wortelstokken over de plas groeien. In dat geval blijft er dus open water onder wortelmat bestaan en spreekt men van trilveen. Een drijvende wortelmat kan ook onstaan wanneer in rustig water oever- of moerasplanten kiemen op hopen bijeengedreven strooisel en bladeren. Dit noemt men drijftillen.

Als de plas volledig is dichtgegroeid, gaat de veenvorming verder. Zo kan het veen uitgroeien boven de invloed van grond- en oppervlaktewater. Vooral veenmossen spelen hierbij een belangrijke rol. Ze kunnen water vasthouden en worden na verloop van tijd enkel nog door regenwater gevoed. In dat geval spreekt men van hoogveen. Naast veenmossen bestaat de vegetatie vooral uit heide-achtige planten. Hoogveen en natte heide zijn dan ook sterk met mekaar verwant. Veenmossen hebben een verzurende werking en zorgen ervoor dat boomgroei praktisch onmogelijk is.

Het verlandingsproces is een theoretische evolutie waarvan kan worden afgeweken. Zo kunnen zich op een drijvende wortelmat bijvoorbeeld bomen vestigen. Als die te zwaar worden, zinkt de mat en ontstaat weer open water.

uitgebreid

Het typische bestanddeel van hoogveen, veenmos, is een merkwaardig plantje. Het groeit slechts een tiental centimeter per eeuw. Een veenmostapijt bestaat uit vele fijne veenmosstengels naast elkaar, 10 000 tot 20 000 per vierkante meter. Naarmate het veen groeit, sterft de onderzijde van de stengels af. Dat dode veenmos wordt omgezet in veen. Dat dode deel kan meer water vasthouden dan het levende deel. Honderd gram levend veenmos kan ongeveer 2,5 liter water vasthouden, terwijl eenzelfde hoeveelheid door veenmos zo'n 3,5 liter aankan. Een (dode) veenlaag kan vele meters dik zijn. De planten die op het veen groeien, kunnen dan het grondwater niet bereiken en wortelen enkel tussen het veen.

Een andere bijzonder eigenschap van veenmos is de verzurende werking. Daardoor worden ontbindings- en verrottingsprocessen tegengehouden. Doordat veen zo'n goede bewaarplaats is voor organisch materiaal, zijn er dan ook al vaak spectaculaire archeologische vondsten gedaan. Uit veenlagen zijn al verschillende perfect geconserveerde prehistorische lijken opgediept. Daarbij is het lichaam nog in perfecte staat, maar is het geraamte als gevolg van de zuren in het veen wel volledig opgelost.

lectuur

Hermy, M., de Blust, G. & Slootmaekers M. red.(2004). Natuurbeheer, Davidsfonds, 452p.

categorieën