Middelhout is de combinatie van een hakhoutlaag met opgaande bomen. Deze bosbedrijfsvorm was erg populair doorheen de eeuwen omdat hierin regelmatig brandhout kon gekapt worden en ook wat dik werkhout kon geoogst worden.
Een middelhout of middenbos bestaat dan uit een ijle bovenetage van opgaande bomen met daaronder een hakhoutlaag. Deze bedrijfsvorm is doorheen de vroegere bosgeschiedenis heel belangrijk geweest, omdat de mens in het middelhout regelmatig brandhout kon oogsten en ook nog dikkere opgaande bomen had voor constructietoepassingen. Het middelhout was dan een soort 'winkeltje' waarin altijd wel iets te vinden was met bruikbare afmetingen. De boomlaag van het middelhout bestaat typisch uit bomen die 'kort van stuk zijn', dus met een diepe kruin en een korte onderstam.
Middelhoutbeheer zorgt voor rijk gestructureerde bossen met een constant beheer. In dit opzicht heeft het middelhout veel eigenschappen gemeen met het hakhout, zij het dat de bosstructuur gevarieerder is door de aanwezigheid van opgaande bomen in verschillende dikteklassen. Door de regelmatige kappingen en houwverzorging, wordt ook het middelhout vaak geassocieerd met tapijten van voorjaarsbloeiers.
De traditie van het middelhoutbeheer is enigszins verloren gegaan sinds deze bedrijfsvorm in onbruik geraakte. Dit kwam door maatschappelijke veranderingen: het gebruik van steenkool in plaats van brandhout en de hoge vraag naar werkhout maakte dat veel middelhout werd omgezet in hooghout. Het klassieke middelhoutbeheer heeft zijn zwaartepunt bij de hakhoutcomponent. Die werd behandeld zoals een enkelvoudig hakhout, maar dan met een langere rotatiecyclus. Het was dan natuurlijk belangrijk dat de boomlaag voldoende ijl was, want anders bleef er te weinig licht over opdat de stronken goed weer zouden uitlopen. De opgaande bomen (reserve) vonden hun oorsprong in het reserveren van spaartelgen of baliveren. Vlak voor elke hakhoutkapping werden enkele veelbelovende opgaande bomen uit zaad of rechte scheuten op stronk gemarkeerd om niet te kappen en te laten doorgroeien naar de boomlaag. Op dit moment werd ook in de aanwezige opgaande bomen gekapt, om zwaar hout te oogsten en om voldoende licht te laten voor de hakhoutlaag die weer moest uitschieten. De kapping in de reserve gebeurde vlak na de hakhoutkap, zodat de zware bomen zonder schade op de pas afgezette stoven konden vallen. Het is niet ondenkbeeldig dat er aan de reserve gesnoeid werd, om te zorgen voor een voldoende takvrije stamlengte en om waterlotvorming na de bruuske lichtzetting te verhelpen.
Net zoals bij het hakhout worden in het middelhout loofboomsoorten gebruikt omdat naaldbomen geen nieuwe scheuten kunnen vormen uit hun boomstronk. De hakhoutetage kan bestaan uit soorten die gemakkelijk weer uitlopen na kapping, zoals hazelaar, haagbeuk, es, zomereik, esdoorn, tamme kastanje, Amerikaanse eik, zwarte els, ... In de bovenetage van het middelhout zijn de belangrijkste soorten de zomereik, es, boskers, populier, inclusief de witte en grauwe abeel. Bomen die een dichte kroon vormen zoals de beuk en de haagbeuk zijn niet geschikt omdat er dan onvoldoende licht is voor de hakhoutlaag om te kunnen groeien. Bovendien zou beuk te gevoelig zijn voor schorsbrand na de hakhoutkapping, en vormt haagbeuk niet zo'n veelzijdig bruikbaar werkhout.
Tack, G., Van Den Brempt, P. & Hermy, M. (1993). Bossen van Vlaanderen. Een historische ecologie. Tweede druk. Davidsfonds, Leuven.