Alle dier- en plantensoorten die op eenzelfde plaats leven en op een of andere manier (in)direct van elkaar afhankelijk zijn, noemen we een levensgemeenschap. Organismen kunnen elkaar bijvoorbeeld nodig hebben als voedsel of als woonplaats. Vaak is het voortbestaan van zo een gemeenschap echter afhankelijk van slechts enkele soorten, sleutelsoorten genoemd. Deze soorten hebben de belangrijkste rol in het goed functioneren van de levensgemeenschap.
In een levensgemeenschap heeft elke soort zijn eigen plekje en zijn eigen functie. Sommige soorten wonen er bovendien hun hele leven terwijl andere er alleen even uitrusten. Leden die hun hele leven enkel binnen een welbepaalde levensgemeenschap blijven, worden obligate leden genoemd. Soorten die niet perse van die ene gemeenschap afhankelijk zijn, worden mee-eters genoemd. De levensgemeenschap van bijvoorbeeld een beuk omvat alle organismen die op die beuk leven, de beuk of elkaar consumeren, of er hun hele cyclus voltooien. De beuk is echter zelf weer onderdeel van een grotere levensgemeenschap, namelijk een loofbos. Die loofbossen maken op hun beurt deel uit van een nog grotere levensgemeenschap, bijvoorbeeld een terrestrisch systeem. Elke levensgemeenschap behoort dus tot een grotere levensgemeenschap tot uiteindelijk de hele aarde wordt omvat. Levensgemeenschappen bestaan bovendien niet alleen naast maar ook binnen elkaar.
Hoe rijker de levensgemeenschap aan soorten is, hoe stabieler zij is. Een levensgemeenschap die is opgebouwd uit slechts enkele soorten kan immers veel gemakkelijker ontregeld raken. Het aantal individuen van een bepaalde soort kan bijvoorbeeld te snel groeien of een binnendringende soort kan de uitroeiing van een andere soort in de levensgemeenschap tot gevolg hebben.