Laagdunning is het verwijderen van bomen die de concurrentiestrijd om licht aan het verliezen zijn. Door de verliezers weg te zagen, worden de andere bomen wat bevoordeeld en krijgt het bos een 'net' uitzicht met allemaal min of meer dezelfde bomen. Maar de concurrentie tussen de best groeiende bomen wordt door laagdunning weinig of niet beïnvloed.
Bij laagdunning worden vooral gedomineerde bomen gekapt. In de praktijk betekent dit dat de kleine bomen weggezaagd worden en de dikke zo lang mogelijk blijven staan. Dit zorgt ervoor dat er een groot houtvolume staat te groeien, maar daarmee weten we nog niets over de kwaliteit van individuele bomen. Die doet er dan betrekkelijk weinig toe, want het hoofddoel van laagdunning is een maximale volumeaanwas in een gelijkvormig hooghout te realiseren.

Bij een laagdunning zal het volume hout dat per hectare bijgroeit maximaal blijven omdat er geen wezenlijke gaten gemaakt worden in het kronendak. Bijna al het licht dat op het bos valt, wordt opgenomen door de dominante boomlaag. Maar die boomlaag bestaat uit veel bomen, die er allemaal ongeveer hetzelfde uitzien en niet noemenswaardig uitblinken op het vlak van houtkwaliteit. Een bos beheerd met laagdunning ziet er dan ook eerder monotoon uit, zogenaamde kathedraalbestanden.
Laagdunning is een gemakkelijke manier van bosbeheer die lange tijd werd toegepast in Vlaanderen maar nu niet meer actueel is. Vooral minder ervaren bosbeheerders passen laagdunning toe omdat mensen gemakkelijk geneigd zijn de verliezende bomen om te zagen. Maar als de stamkwaliteit van individuele bomen belangrijk is, dan kan beter geen laagdunning toegepast worden.