Bij kunstmatige bosverjonging bepaalt de mens het uitzicht van de volgende bosgeneratie door bepaalde boomsoorten te planten of te zaaien. Meestal gebeurt dit op een open kapvlakte. Voorbereidende werken en onderhoud van de beplanting worden toegepast om het gewenste resultaat te verkrijgen maar dit vraagt natuurlijk serieuze investeringen van de boseigenaar.
Bij een kunstmatige verjonging komen de nieuwe boompjes er door de hulp van de mens. De bomen kunnen aangeplant of uitgezaaid worden op terreinen waarop voordien al een bos stond (= herbebossing) of op plaatsen die voorheen voor iets anders gebruikt werden, bijv. weiland, akker, braakliggend terrein,... (= bebossing). Voor bebossing of bosuitbreiding is aanplanten de meest geëigende methode om snel resultaat te boeken.
Een kunstmatige verjonging komt meestal neer op planten, en dit moet goed gepland worden. Eerst beslist de bosbeheerder welke boomsoorten er komen. Hiervoor moet hij de standplaats kennen en bepalen welke boomsoorten hierbij passen. Hij stelt een beplantingsplan op dat alle noodzakelijke gegevens bevat om de beplanting te plannen en uit te voeren: boomsoorten, grootte van het plantsoen, menging, stamtal, plantverband, aanleg van een bosrand,…
Voordat er geplant wordt, wordt het terrein vaak voorbereid: takhout ruimen, ruigtekruiden maaien, bodembewerking (frezen, plantputten boren), wildbescherming. Het is handig om dan ook meteen een langwerpige kuil te maken om het plantsoen meteen bij levering te kunnen inkuilen zodat de wortels niet uitdrogen.
De boompjes worden het best geplant tussen half november en einde maart - april, liefst bij druilerig weer. De bomen zijn dan in rust. De groei boven de grond staat stil en de eindknoppen houden zich klaar om in de lente open te gaan. De worteltjes zijn het meest kwetsbaar. Ze moeten tijdens het aanplanten beschermd worden tegen uitdroging door ze bijv. te bedekken met aarde of een plastic zeil. Naargelang de grootte van het plantsoen wordt spleetplanting of kuilplanting toegepast.
Nadat de boompjes aangeplant zijn, is het werk nog niet voorbij. Soms moeten ze beschermd worden tegen wildvraat of vegen door reebok (zie wildbescherming). Afgestorven exemplaren moeten vervangen worden als er te grote gaten in de aanplant zouden vallen (zie inboeten) en concurrerende vegetatie moet verwijderd worden als het plantsoen de kop niet meer boven houdt (zie vrijstelling).
Kunstmatige bezaaiing wordt weinig toegepast maar er zijn succesvolle voorbeelden gekend: eikels inzaaien op een akker met een aardappelplanter of berkenzaad op de sneeuw strooien.
Het voordeel van kunstmatige verjonging is dat de bosbeheerder krijgt wat hij plant, tenminste als hij z'n huiswerk goed heeft gemaakt. Dit is erg belangrijk als er een bepaalde boomsoort moet geïntroduceerd worden. Denk maar aan bebossing van landbouwgronden of de vervanging van niet-geschikte boomsoorten. Ook kan planten toegepast worden om een onvolledige natuurlijke verjonging aan te vullen. Nadelen zijn dan weer dat er verkeerde boomsoortenkeuzes gemaakt kunnen worden en de niet te onderschatten kostprijs. Om een hectare bos te planten ben je algauw enkele duizenden euro's kwijt.
De laatste jaren streeft men er in Vlaanderen naar om minder kunstmatig te verjongen en meer gebruik te maken van natuurlijke verjonging. Dit neemt niet weg dat kunstmatige verjonging en zeker planten een belangrijke positie zal blijven bekleden in het Vlaamse bosbeheer: het is een diepgewortelde traditie en door allerlei ongunstige uitgangssituaties is deze dure maatregel dikwijls een noodzaak.