Ketel wordt gebruikt om de ondergrondse verblijfplaats van een zoogdier aan te geven, dikwijls slaat dit op een mollennest, maar het wordt ook voor de leefruimte van dassen of bevers gebruikt.
De mol graaft diepe en ondiepe gangen tot 1 meter diep, waarvan de totale lengte 60 meter kan bedragen. De gangen worden ook wel tunnels genoemd. Bij het graven ontstaan de bekende molshopen; hopen zand. In bosgebieden liggen de molshopen dikwijls onder afgevallen bladeren verborgen. De mol kan uitstekend graven, de oppervlakkige gangen graaft hij met een snelheid van 12-15 meter per uur. Tijdens het graven wordt de aarde langszij naar achteren gewerkt en vervolgens naar buiten geduwd. Soms liggen de gangen zo ondiep, dat ze te zien zijn door de omhoog gewerkte grond. Deze gangen worden 'mollenritten' genoemd en worden vaak gemaakt door jonge mollen op zoek naar een eigen territorium of door volwassen mannetjes, in de paartijd.
Wanneer de burcht voldoende voedsel oplevert, neemt de graafactiviteit van de mol af. De mol onderhoudt zijn gangenstelsel goed en sluit uitgangen zo nodig van binnen af.