Rabiës wordt verspreid door besmette zoogdieren, steeds door lichaamsvochten zoals bloed of speeksel. In ons land is rabiës bij de vos uitgeroeid, heel zelden komt rabiës voor bij enkele soorten vleermuizen, honden en andere zoogdieren.
Het wordt overgebracht door beten, krabben, en likken op wondjes of slijmvliezen. Het virus kan alleen overleven in vocht.
De incubatietijd, de tijd tussen de besmetting en het uitbreken is afhankelijk van de beetplaats. Bij een besmetting door een beet in het gezicht kan de ziekte uitbreken na enkele weken, vanuit een been heeft de ziekte meer dan een jaar nodig de hersenen te bereiken.
De ziekte begint met lichte koorts, hoofdpijn en verminderde eetlust, zere keel en misselijkheid. Dit gaat op den duur gepaard met prikkelbaarheid, verhoogde spierspanning, overgevoeligheid voor fel licht en harde geluiden omdat de zenuwen worden aangetast. Kenmerkend zijn abnormale gevoelens in het gebeten lichaamsdeel. De ziekte eindigt met verlammingsverschijnselen en uiteindelijk coma en overlijden.
Behandeling
Vaccinatie op voorhand is mogelijk. Daarbij zijn verschillende schema's mogelijk met vb telkens een injectie op dag 0, 3, 7, 14 en 28 of 2 injecties op dag 0, één op dag 7 en op dag 21, met controle van de antistoffenaanmaak op dag 30. Een spoedvaccinatie bij mogelijke besmetting is mogelijk. Daarvoor dient het Pasteurinstituut te worden gecontacteerd.
Eenmaal de ziekte is uitgebroken is een dodelijke afloop zeker. Er is ooit bij een experimentele behandeling één meisje gered, maar op een herhaling van deze afloop moet niet gerekend worden.
Preventie
In België moet slechts met één besmettingsfactor rekening gehouden worden. Als een vleermuis wordt gehanteerd moet dit met handschoenen gebeuren. Ze zijn zeker niet agressief en vrij klein (tussen 5 en 20 gram). Bovendien dragen de algemeenste soorten de ziekte niet. Voorzichtigheid is dus enkel geboden bij het hanteren van de dieren.
Bij de vos (de sylvane vorm van rabiës) is het eerste geval opgedoken 1939 Polen en pas in 1966 België. Het uitdunnen van de populatie door een hoge jachtdruk om de infectieketen te doorbreken is mislukt. Pas na het toepassen van orale vaccinatietechniek, vanaf 1989, was bestrijding van de ziekte wél succesvol. Nu is België officieel hondsdolvrij sinds juli 2001.
Bij vleermuizen komt een ander type voor (European Bat Lyssa Virus), deze komt hoofdzakelijk bij de laatvlieger en de meervleermuis voor. Deze laatste is bij ons erg zeldzaam, maar ook de laatvlieger is geen soort die je dagelijks tegenkomt. Het risico is beperkt, ook al zijn in Nederland 15-20% van de voor onderzoek aangeboden dieren positief getest (deze waren dus ziek of dood binnengebracht).
Vleermuizen zijn schuwe en niet-agressieve dieren die uit zichzelf nooit gaan bijten. Een kolonie in spouwmuur of onder het dak vormt geen enkel gevaar, temeer dat in 99% van de gevallen dwergvleermuizen zijn die het virus niet doorgeven.
Een beschrijving van de enige gekende patiënt die ervan genezen is
http://www.azcentral.com/health/news/articles/1123rabies23-ON.html
Meer informatie op de site van de overheid, Afdeling Epidemiologie
http://www.iph.fgov.be/epidemio/epinl/plabnl/info_chs.htm