In een hakhoutbos hebben de bomen één wortelstelsel met daarop verscheidene stammen. Dit komt omdat de scheuten regelmatig afgehakt worden, waarna de stronk weer uitschiet.
Hakhout is een soort 'struikenbos' dat door de eeuwen heen ideaal was om voornamelijk brandhout te produceren. Hakhout ontstaat door vegetatieve voorplanting. Anders gezegd, als een relatief jong bos wordt afgehakt en de stronken lopen weer uit, dan ontstaat een hakhout of 'struikenbos'. In plaats van één enkele boom, ontstaat er dan een groepje van bomen op één voet of stoof. Die meerstammige bomen worden dan om de zoveel jaar afgehakt, waarna de stoof weer uitloopt.

Een pas aangepakt hakhoutbestand
Hakhout werd in het verleden veel toegepast om brand- en geriefhout te produceren door de bomen om de 6-10 jaar af te hakken en weer laten op te schieten. Meestal was de rotatieperiode eerder kort; door de rotatie te verlengen kon ook klein werkhout geproduceerd worden. Van eikenhakhout werd vaak de schors geoogst om leer mee te looien (eek) en in grienden konden jaarlijks wilgentenen voor mandenvlechterij gekapt worden. Hakhoutbeheer lukt enkel met loofboomsoorten, omdat die slapende knoppen in de schors hebben waaruit nieuwe scheuten kunnen ontstaan. Naaldbomen hebben die eigenschap (meestal) niet. Het relatief dunne hout was gemakkelijk af te hakken met een bijl of kapmes. Logisch, want motorzaag en kliefmachine bestonden nog niet. Door de bovengrondse scheuten kunstmatig jong te houden, kon meer houtvolume geproduceerd worden dan in een hooghout. Dit ging wel ten koste van een hogere afvoer van voedingsstoffen, voornamelijk via de fijne takjes. Hierin ligt een belangrijk nadeel van het intensieve hakhoutbeheer, namelijk het verarmen van de standplaats. Een ecologische troef is dan weer dat een eeuwenlang constant beheer van regelmatig afhakken en houwverzorging tot gevolg had dat zich bijzondere flora kon ontwikkelen (bv. tapijten van voorjaarsbloeiers). Het klassieke hakhoutbeheer kan zonder meer intensief genoemd worden: stammetjes afhakken en inkorten, takken opmaken in mutsaards (takkenbussels), oude stoven uitgraven en vervangen (door planten of afleggers), bramen snijden, sikkelen, vee laten grazen,…