Een sprinkhaan leeft tussen het gras op een open veld terwijl een eekhoorn liever in de bomen in een bos klautert. Een vis voelt zich het best in het water en een hagedis ligt graag in het zonnetje. Elk dier en elke plant heeft een eigen specifieke omgeving waarin hij of zij zich het meest thuis voelt. Een habitat omschrijft aan welke voorwaarden een gebied moet voldoen om er voor te zorgen dat één bepaalde planten- of diersoort er kan overleven.
Biotoop of habitat worden door elkaar gebruikt. Dat is niet terecht. Een biotoop is een beschrijving van een van een stuk leefgebied, zonder een bepaalde soort in het achterhoofd te houden. Een habitat of ook leefgebied heeft een relatie met een soort. Het is een omschrijving van de hulpbronnen die een bepaalde soort nodig heeft, en dat is veel specifieker: welbepaalde soorten nectarplanten, oud vochtig dood hout, loshangende schors, alleenstaande struikjes, kleine groepjes jonge netels in de halfschaduw, op middelvochtige bodem staande pinksterbloemen met braamstruweel in de onmiddellijke nabijheid,… Zo is de habitat van de groene kikker een plaats waar water te vinden is met een rijke water- en oevervegetatie, waarin voldoende insecten kunnen leven die hij kan opeten, waar het water niet te zuur is zodat de eieren zich kunnen ontwikkelen, en met ondiepe plekken waar het water wat sneller opwarmt voor de larven. Een vegetatie die voldoende beschutting biedt tegenover roofdieren en waar de vijverbodem of grond niet te hard is zodat hij zich kan ingraven om te overwinteren.

Een levendbarende hagedis heeft een kleinschalige afwisseling van zonnige en beschaduwde plekjes nodig met veel insecten, iets wat in heide veel voorkomt en de dichtheden van deze soort zijn er maximaal.
Habitat hoeft niet per se aan het klassieke biotoop gekoppeld worden. De gierzwaluw en de rotsduif zijn soorten die op rotskliffen (biotoop rotsige kusten) broeden. Toch plant het grootste deel van de populatie zich momenteel voort buiten het gebied waar rotskliffen voorkomen, namelijk op pseudokliffen. Gebouwen zijn ideale substituten en vormen daardoor een geschikt habitat voor deze twee vogels, hoewel we de laatste momenteel beter kennen onder de term stadsduif. Als de diverse onderdelen van het habitat aanwezig zijn, kan de soort overleven. Een badkamer is voor de Getijgerde lijmspuiter een fantastische vochtige grot, een braakliggende bouwgrond voor de sikkelsprinkhaan een natuurlijke ruigte en een stadspark met vijver is voor een Fuut een geschikt wetland.
De habitat kan ook toenemen zonder dat het biotoop op het eerste zicht verandert. Een kommavlinder zoekt in schrale graslanden de plekjes met de ideale (lees : hoge) temperatuur. Door het broeikaseffect neemt het aandeel geschikte plekken toe (onderzoek UK), en vergroot het habitat binnen het biotoop. Als beheerder moeten we er ons van bewust zijn dat we het habitat volledig kunnen vernielen zonder het biotoop schade te berokkenen. Nadat we een ruigte volledige hebben gemaaid zien we dat die er het volgende jaar opnieuw staat, maar fauna kan geen jaar overleven zonder zijn habitat. Planten komen wel terug, maar is het gevoeligste deel van de fauna is verdwenen. Het helpt van door de bril van de soorten in kwestie naar de geplande beheermaatregelen te kijken.
Vergeet daarbij niet dat veel soorten zelfs verschillende biotopen nodig hebben. Een amfibie koppelen we gemakkelijkheidhalve aan een poel. Snel wat poelen bijgraven moet de populatie amfibieën bevorderen. Amfibieën hebben eveneens een zomer- en winterbiotoop nodig. In de zomer leven de meeste soorten op het land en zoeken 's nachts naar allerlei ongewervelden. In de winter gaan ze in winterslaap en graven zich in of kruipen onder boomstronken weg. Als één van die onderdelen ontbreekt hebben we geen habitat en dus geen populatie. Dikwijls ligt de achteruitgang van een soort aan dat soort details. Nog een voorbeeld, in het enthousiasme wordt een vochtig weiland tot de randen gemaaid, wat uiteraard geen probleem is voor pinksterbloemen. Die dienen als nectarbron én waardplant voor het Oranjetipje, dus die kan zich vrolijk voortplanten. Als de rupsen gaan verpoppen doen ze dat bij voorkeur op bramen, omdat de pop op een stekel lijkt. Als echter alle bramen zijn weggemaaid of de bramenruigte staat te ver, is de sterfte onder de slecht gecamoufleerde poppen hoog, en mogelijk is dat funest voor de populatie.