woordenboek    encyclopedie

Geologische tijdvakken

“Wanneer was wat ?”

definitie

De namen van de geologische tijdvakken zullen iedereen wel bekend in de oren klinken : pleistoceen, eoceen, holoceen... De geschiedenis van de Aarde wordt ingedeeld in periodes die elk hun eigen naam hebben gekregen. De afbakening van die periodes heeft dikwijls te maken met bepaalde gebeurtenissen zoals een uitstervingsgolf, klimaatveranderingen etc...

uitgebreid

Periode Subperiode Tijd geleden in miljoen jaar Gebeurtenissen
Neogeen Holoceen 0 - 0,0115 Dit is het relatief warme interglaciaal na het laatste glaciaal (ijstijd), met de vorming van de huidige kustlijn, het bebossen van het landschap en vervolgens ontbossen door de mens die aan landbouw is beginnen doen.
Pleistoceen 0.0115-2.588 In deze periode wisselen warme periodes en koude periodes elkaar af (interglacialen en glacialen), met overeenkomstige stijgingen en dalingen van de zeespiegel en veranderingen in de manier waarop grote rivieren materiaal eroderen (bij lage zeespiegels) en afzetten (bij hoge zeeniveaus). Door de klimaatschommelingen ook veel wijzigingen in flora en fauna
Plioceen 2.588 - 5,332 Net voor de klimaatsveranderingen van het pleistoceen leek de natuur op die van nu.
Mioceen 5,332 - 23.03 De mens begint rechtop te lopen, zoogdieren zijn succesvol, gras begint zich uit te breiden;
Paleogeen Oligoceen 23.03 - 33.9 Na het eoceen begint de biodiversiteit zich te herstellen, het klimaat lijkt op het huidige. Paarden ontwikkelen zich en haas- en mensachtigen ontstaan.
Eoceen 33.9 - 55.8 Een grote uitstervingsgolf van naar schatting 20 % van de biodiversiteit door een temperatuurdaling. Net hiervoor is gras ontstaan en namen de families van vleermuizen, knaagdieren en roofdieren toe, ten koste van vleesetende loopvogels.
Paleoceen 55.8 - 65.5 na het uitsterven van de dinosauriërs krijgen zoogdieren de kans zich uit te breiden. De eerste primaten, paarden, vleermuizen, walvissen ontstaan. Bijna de hele Aarde is bedekt met tropisch regenwoud, enkel aan de polen zijn er naaldbossen..
Krijt 65.5 - 145 De continenten gaan verder uit elkaar, met veel en brede ondiepe kustzones. Brede pakketten kalkrijke sedimenten (van algenskeletjes bestaande uit kalk) zijn in deze zones afgezet, met dikke lagen krijt, kalksteen en mergel als gevolg. In deze periode ontstaan bloeiende planten Het krijt is eveneens bekend van het massaal voorkomen van dinosauriërs en ammonieten, die op het einde van deze periode uitstierven ten gevolge van een zeer massieve vulkaanuitbarsting in India, met een meteorietinslag in Mexico als genadeslag.
Jura 145 - 199 De fauna wordt beheerst door reptielen, de flora door varens en naaktzadigen. De vogels ontstaan. Het enige continent Pangea begint uit elkaar te vallen in de huidige continenten.
Trias 199 - 251 Door de zeer lage biodiversiteit kunnen zich veel nieuwe soorten ontwikkelen zoals dinosauriërs, vliegende reptielen en zoogdieren. Het einde van deze periode wordt ingeluid door een inslag van een meteoriet met een beperkte uitstervingsgolf.
Perm 251 - 299 Tijdens dit tijdperk zijn de Synapsiden, de voorlopers van de zoogdieren het talrijkst. Waarschijnlijk zijn hier ook sterke klimaatschommelingen voorgekomen. Deze periode eindigt met een van de grootste uitstervingsgolven uit de geschiedenis, met een verlies van 90 - 99% van de biodiversiteit. Veroorzaakt door een meteorietinslag in Australië of een vulkaanuitbarsting in Siberië.
Carboon 299 - 359 Alle continenten vormden nog één geheel en waren bedekt met enorme moerasbossen (een beetje zoals het huidige Amazonewoud). De plantendiversiteit was hoog met eveneens grote libellen, spinnen etc... Amfibieën ontwikkelen en kennen een hoogtepunt, de eerste reptielen verschijnen. Plantengroei was groot door de grote hoeveelheden koolstofdioxide in de lucht die in deze periode gedeeltelijk (5% van de biomassa) is gefixeerd in lagen olie, steenkool en gas.
Devoon 359 - 416 Het ontstaan van haaien, spinnen en vooral amfibieën. In deze periode wordt veel mariene kalk afgezet (die in de huidige tijd aan de oppervlakte komt in de Ardennen).
Siluur 416 - 443 Er is nog maar weinig landleven aanwezig, de biodiversiteit in zee is al vrij hoog.
Ordovicium 443 - 488 De eerste grotere dieren en planten verschijnen. Deze laatste beginnen zuurstof te produceren wat het eerste landleven mogelijk maakt.
Cambrium 488 - 542 Voor het eerst komen grotere hoeveelheden soorten voor die fossielen achterlaten. De afzettingen uit het canbrium zijn te vinden in de Ardennen (schisten en kwartsieten)

categorieën