Het broeikaseffect ontstaat door bepaalde gassen in de atmosfeer die wel licht doorlaten maar warmte opnemen. Men zag daarin een analogie met een serre, vandaar de naam broeikas-effect. De meest voorkomende broeikasgassen zijn koolstofdioxide, waterdamp, methaan en ozon. De eerste twee zijn verantwoordelijk voor meer dan de helft van het effect.
Hoewel het broeikaseffect een negatieve bijklank heeft is het voor het leven op Aarde van zeer groot belang. De gemiddelde temperatuur op Aarde is zo'n 20 tot 30°C hoger dan het zou zijn zonder broeikasgassen.
Het probleem is echter de versterking van dit effect door een toename van voornamelijk koolstofdioxide in de atmosfeer door verbranding van fossiele brandstoffen, ontbossing en cementindustrie. De concentratie koolstofdioxide is zelfs historisch hoog, men kan in ijskernboringen op Antarctica geen hogere waarden vinden, en die gaan 800.000 jaar terug.
Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) concludeert :" het grootste deel van de waargenomen toename in gemiddelde temperatuur die begonnen is in het midden van de 20ste eeuw is hoogst waarschijnlijk te wijten aan door mensen geproduceerde broeikasgassen".
Desalniettemin blijven er gelovers en niet-gelovers, vooral omdat de werkelijke effecten niet in te schatten zijn. Sommigen hopen op technologie die het wel zal oplossen, anderen vrezen voor een afkoeling in West-Europa omdat de golfstroom door het broeikaseffect wel eens zou kunnen stilvallen. In elk geval begint het effect ook al op gebied van flora en fauna duidelijk te worden ondanks het feit dat de gemiddelde termperatuur nog maar met 0,6°C toegenomen is.
Het effect op biodiversiteit is zeer moeilijk in te schatten. Momenteel zijn al een aantal gevolgen zichtbaar ten gevolge van een gemiddelde stijging van de temperatuur. Door het ontbreken van strenge en/of langdurige vorst zijn bepaalde soorten insecten in staat makkelijker te overwinteren. Men vreest dat redelijk wat plaaginsecten zoals de eikenprocessierups en de wintervlinders in de categorie vallen.
Voor de natuurbeheerder eerder leuke soorten zoals libellen rukken ook op, zuidelijke soorten als de vuurlibel, de roodoogjuffers en de zwervende pantserjuffer worden hoe langer hoe algemener. Ook tijgerspinnen en marmertrilspinnen waren vroeger niet aanwezig en zijn nu ingeburgerd. Naast deze eerder anekdotische waarnemingen is het moeilijk in te schatten welke ecosysteemprocessen zullen veranderen. Enkele scenario's :
* bij een verhoogde hoeveelheid koolstofdioxide in de atmosfeer neemt de groei van veel planten toe omdat het gas nog relatief schaars is vergeleken met stikstofgas en zuurstofgas en dit remmend werkt, door de toename van plantaardige groei neemt bijvoorbeeld ook de snelheid van verlanding van poelen toe;
* door het warmere voorjaar zal fytoplankton sneller "bloeien", maar mogelijk zijn een aantal grazers hiervoor (cladoceren, zijnde watervlooien, roeipootkreeftjes,...) te laat, mogelijk profiteren blauwalgen meer dan de andere van een temperatuurstijging en deze zijn oneetbaar voor veel organismen;
* hetzelfde effect bij rupsen, die zich moeten aanpassen aan het vroeger in blad komen van bomen. Mezen moeten daarop vroeger beginnen broeden omdat ze hun jongen slechts kunnen grootbrengen als de voedselbehoefte samenvalt met de rupsenpiek. Trekvogels zoals de bonte vliegenvanger die vanuit Afrika start en de daglengte als signaal gebruikt komt te laat en verdwijnt daardoor mogelijk;
* ijstijdrelicten, soorten van hoogveen zoals vossenbes en de zevenster verdwijnen nu relatief sneller dan voorheen;
* bepaalde soorten zijn stenotherm terwijl andere eerder eurytherm zijn (zie de fiche "eury- en steno-"), die laatste hebben een voordeel bij een temperatuurstijging en er zullen zich verschuivingen in de concurrentiepositie voordoen;
* ook tussen soorten die in principe de temperatuurstijging weerstaan zullen verschuivingen optreden omdat sommige soorten in staat zijn meerdere generaties per jaar voort te brengen, en dit kunnen verlengen bij hogere herfsttemperaturen, terwijl andere soorten standaard steeds slechts één of enkele generaties produceren;
* stenotherme soorten zullen hun areaal moeten verleggen naar koelere delen van het landschap. Verhuizen naar het noorden of naar de noordzijde van hellingen, soorten van stromend water moeten stroomopwaarts opschuiven als ze tenminste bestand zijn tegen de snellere stroming. Soorten die niet snel genoeg migreren zullen verdwijnen omdat mogelijk hun lethale maximumtemperatuur wordt overschreden.
* het versnipperd landschap werkt soorten die willen migreren sterk tegen. Vogels, libellen en dergelijke zijn zeer mobiel maar amfibieën en reptielen, veel ongewervelden kunnen niet zomaar op enkele decennia hun areaal met een paar honder kilometer naar het noorden verleggen, en zeker niet over (grote) wegen, kanalen, woonkernen en dergelijke. Ook zoetwatersoorten lopen bij hun migratie naar koeler water stroomopwaarts tegen sluizen en andere migratieknelpunten aan. Er moet zeer dringend werk worden gemaakt van een ecologisch netwerk zoals het VEN inclusief de robuuste verbindingsgebieden van het IVON.
* Poikilotherme dieren (die voor hun lichaamswarmte afhankelijk zijn van hun omgeving) zoals vissen kunnen sneller groeien en reproduceren als de temperatuur toeneemt, gesteld natuurlijk dat de hoeveelheid voedsel ook toeneemt. Anderzijds zijn een aantal vissoorten afhankelijk van lage temperaturen om kuit te schieten zoals kwabaal, serpeling of pos.
* bijkomende voorbeelden worden aangevuld
http://www.opgewarmdnederland.nl