Met bosontwikkeling wordt de evolutie van een jong bosbestand tot een oud bos bedoeld. Vooral de stamtalvermindering en de groei van de bomen zijn daarbij cruciaal. In het begin groeien jonge bomen vooral in de hoogte en concurreren ze voor ruimte. Als het stamtal afneemt, mindert de hoogtegroei en vindt vooral diktegroei plaats. Tijdens de bosontwikkeling worden verschillende fasen onderscheiden: de bezettingsfase, de jongwasfase, de dichtwas-, de staakhout- en de boomhoutfase.
De bezettingsfase is de periode tussen het kiemen van de zaailingen of het uitvoeren van de bosbeplanting en het begin van de stamtalvermindering.
De jongwasfase start bij de stamtalvermindering en stopt bij de kroonsluiting.
De dichtwasfase loopt vanaf de kroonsluiting tot op het moment dat de hoogte van de bomen begint te verschillen.
De staakhoutfase begint op het moment dat hoogteverschillen optreden en eindigt wanneer de hoogtegroei over zijn hoogtepunt heen is.
Vanaf dan spreken we van de boomhoutfase. Zolang de diktegroei zijn hoogste snelheid niet heeft bereikt, spreken we van jong boomhout. Is de diktegroei over zijn piek heen, dan hebben we oud boomhout.
In elke fase zijn andere beheersingrepen mogelijk.
Tijdens de bezettingsfase zal dit vooral bescherming van de jonge boompjes tegen wild of overwoekering zijn.
In de jongwasfase wordt soms gedund, al zorgt natuurlijke selectie er doorgaans voor dat genoeg boompjes afsterven zodat de overblijvers optimaal kunnen groeien.
In de dichtwas wordt soms een negatieve selectie doorgevoerd waarbij de slechtste boompjes worden verwijderd. Eventueel kunnen van de overblijvers de onderste takken worden verwijderd (opsnoeien) om zo een mooie stam te verkrijgen. Eigenlijk kunnen beide maatregelen ook achterwege worden gelaten. Door lichtgebrek in de dichtwas zullen de onderste takken dan vanzelf afsterven.
Vanaf het staakhoutstadium ligt de klemtoon op slectieve dunningen met positieve selectie, volgens de toekomstboommethode.
Tegenwoordig worden (dure) arbeidsintensieve beheersingrepen steeds vaker achterwege gelaten en maakt men optimaal gebruik van natuurlijk processen. Het jonge bos wordt daarbij zo weinig mogelijk behandeld. Eventueel kan de verhouding tussen de verschillende boomsoorten een beetje worden gestuurd. Verder wordt op de natuurlijk selectie gerekend. Normaal gezien blijven dan na de dichtwas nog genoeg potentiële kwaliteitsbomen over. In het oudere bos na het omslagpunt, wordt dan gedund.